Aflevering 165 Onderliggende patriarchale orde blijft onaangetast

‘De burgerlijke moraal wordt bewust terzijde geschoven, maar de onderliggende patriarchale orde blijft onaangetast, ook in de onderlinge verhoudingen tussen de mannen en vrouwen in de dadabeweging’, schrijft Hubert van den Berg (Dada. Een geschiedenis, 2016, p.208).

Psies!

Hoezeer dada de (kunst)wereld ook omver weet te blazen (zie ook afleveringen 33-36), ze blijft wat man-vrouwverhoudingen betreft zo ouderwets als wat. In dat opzicht is dada duidelijk een grote mislukking.

‘Wie de gemiddelde dadatentoonstelling bezoekt of een dadacatalogus of -bloemlezing doorbladert, komt over het algemeen hooguit de namen van een paar vrouwelijke kunstenaars tegen: Emmy Hennings, Sophie Taeuber, Hannah Höch, Suzanne Duchamp, Petronella van Moorsel, Eva Peter en Elsa von Freytag-Loringhoven.’ (2016, p.208-209)

Frappant nietwaar? Het belang van Elsa von Freytag-Loringhoven is zwaar onderschat (zie bijvoorbeeld de afleveringen 31, 36, 57). Ze is volgens Van den Berg grotendeels in de dadahistoriografie belandt omdat ze model was. Veel van de andere genoemde vrouwen waren echtgenote van …, zoals ‘dadavrouw’ Sophie Taeuber een paar vormde met Hans Arp (zie afleveringen 163 en 164).

‘Dat de geschiedschrijving meer aandacht aan mannelijke dan aan vrouwelijke kunstenaars besteedt, heeft zeker ook te maken met de onderlinge verhoudingen. De rol van vrouwen is allesbehalve gelijkwaardig – niet anders dan in de rest van de avant-garde, het toenmalige culturele veld of de maatschappij als geheel.’ (2016, p.209)

Van den Berg spreekt van ‘penetrant mannelijk chauvinisme’ en ‘antifeminisme’ … ik had het niet beter kunnen formuleren.

Natuurlijk is de rol van kunstenaressen in dada veel groter: ‘veel dadaïstische soirees zijn ondenkbaar zonder vrouwelijke musici – Suzanne Perrottet in Zürich, Marguerite Buffet en Marcelle Meyer in Parijs en Nelly van Doesburg in Nederland – of zonder danseressen – denk aan Valeska Gert in Berlijn en Katja Wulff, Maja Chrusecz en Maria Vanselow in Zürich. Er zijn ook de nodige vrouwelijk schrijvers en beeldend kunstenaars betrokken bij dada, maar zij worden door de mannelijke collega’s uit de geschiedenis weggelaten.’ (2016, p.210)

Maar, maar, hadden die vrouwen niet zélf hun eigen geschiedenis kunnen schrijven? Jazeker, geschreven hebben ze! Niet hard genoeg geroepen toch. Wat ook niet heeft geholpen is dat het programma van dada werd opgesteld door een paar mannen ‘en omdat een eenduidige stijl ontbreekt, vormt dit programma tegenwoordig de kern van dada als historisch fenomeen.’ (2016, p.210)

Feit is dat dada niet zonder de vrouwen kon.

Sophie Taeuber had simpelweg een vruchtbare samenwerking met Hans Arp. Ze maakten samen marionetten en tapijten. Ze heeft samen met hem en Van Doesburg café-restaurant Aubette in Straatsburg opnieuw ingericht, wat een voorbeeld werd van de integratie van architectuur en schilderkunst. Ze ontwierp ook de atelierwoning van haar en Arp en verzorgde de complete inrichting ervan. En al die tijd was ze kostwinner met haar baan aan de kunstnijverheidsschool.

Het werk van Taeuber getuigt van ‘originaliteit, overtuiging en werkkracht’, aldus Liesbeth Brandt Corstius, ‘met name voor de omgevingskunst zijn Sophie’s werkstukken van onschatbaar belang geweest.’ (feministische kunst internationaal, 1978, p.26)

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk. Inhoudsopgave Feuilleton Abramović, met links per aflevering.

Aflevering 57 Ach, het is eigenlijk zo simpel

Foto en bewerking: Susan Hol, origineel gemaakt in Finland in 2010.

Even een invuloefening doen:

Het schilderij Noordzeestrand van Betzy Akersloot-Berg (BAB) is een kunstwerk rond het jaar 1897 (BAB dateerde haar werken meestal niet), omdat zij – als eigenaar van dit werk – en de galeries, musea en haar bewonderende publiek, de blijvende bedoeling hebben het te beschouwen-als-een-kunstwerk, dat wil zeggen als een van de schilderijen die correct worden beschouwd als behorende tot de kunsttraditie ‘zeeschilderijen’.

Als je de vorige afleveringen hebt gelezen, herken je hierin waarschijnlijk de definitie van Levinson. Ik zal hem voor het gemak nog even herhalen.

X is een kunstwerk op tijdstip t, dan en slechts dan X een object is waarvan het op tijdstip t waar is dat een of meerdere personen, die over X het toegeëigende eigendomsrecht hebben, blijvend bedoelen (of bedoeld hebben) om X te beschouwen-als-een-kunstwerk, dat wil zeggen op enige manier (of manieren) beschouwen waarop objecten eerder als kunstwerken correct (of standaard) zijn of werden beschouwd.

Dan ga ik nu dezelfde ‘invuloefening’ met Fountain doen.

Het urinoir Fountain is een kunstwerk uit 1917, omdat Elsa von Freytag-Loringhoven – als eigenaar van dit werk – de blijvende bedoeling had het te beschouwen-als-een-kunstwerk, dat wil zeggen als een van de gevonden objecten die correct worden beschouwd als behorende tot de kunsttraditie ‘gevonden/conceptuele kunst’.

Nu was er in 1917 nog niet echt een ‘kunsttraditie’ als het ging om gevonden/conceptuele kunst, maar inmiddels wel. Levinson ondervangt deze kwestie met zijn ‘tijdstip t’-formulering: een object kan op een later tijdstip dan zijn materiële ontstaansmoment een kunstwerk worden.

Een urinoir rolt net van de lopende band: geen kunstwerk. Het nieuwe urinoir wordt in gebruik genomen als toilet in een kroeg: geen kunstwerk. De kroeg vernieuwt de toiletten en dumpt het urinoir: geen kunstwerk. Elsa von Freytag-Loringhoven ziet het urinoir bij het grofvuil liggen, neemt het onder de arm, maakt het schoon, kantelt het, plaatst het op een sokkel en signeert het met R. Mutt: kunstwerk.

Ach, het is eigenlijk zo simpel. George Dickie zei het al. Het gaat (sinds Fountain) niet (meer) om het ding en de wezenlijke eigenschappen ervan (zoals bij schilderijen als de Nachtwacht nog wel het geval is), het gaat om de verwantschap van het ding met menselijke activiteit en gedachte. Het gaat niet om het urinoir, zijn vormgeving, kleur, patronen, wijze van vervaardigen en materiaal, het gaat om de kunstenaar die ermee aan de slag is gegaan en het idee had.

Geldt dat ook voor Oldenburgs gegraven en dichtgegooide gat in Central Park New York achter het Metropolitan Museum?

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk.

Aflevering 38 Het Schone en het Verhevene

Deze foto heb ik tijdens het ‘blauwe uur’ gemaakt, ergens, ik weet niet meer waar 😉

Eigenlijk heb ik nu een behoorlijk dilemma.

Hoezo dat?

Nou, alle spraakmakende stukken in de filosofische esthetica, de richting waarin ik ben opgeleid, zijn gebaseerd op een Fountain-Duchamp-gebaar en niet op een Fountain-Von Freytag-Loringhoven-kunstwerk.

Dat zij het brein achter Fountain is werpt toch een ander licht op de zaak.

Aan de andere kant, hoe vanzelfsprekend het voor barones Elsa ook was om een urinoir als kunstwerk in te zenden, voor de kunstwereld was een bestaand object ingediend als kunstwerk voor in het museum een unieke gebeurtenis.

Dus als we puur naar het object kijken, wat sowieso de bedoeling is van dit deel (zie aflevering 25 slot en 26), dan blijft overeind dat Fountain het publiek (zie aflevering 32), kunstcritici (zie aflevering 32), maar vooral ook filosofen harde noten te kraken gaf.

Niemand had enige idee wat te denken van dit urinoir in het museum. Plotseling rees de vraag: Wanneer is iets kunst en wie bepaalt dat? En de vraag ‘Wat is kunst?’ klonk harder dan ooit. Was er nog wel een definitie te geven? Is kunst niet te veel in beweging daarvoor?

Kunst verandert steeds. Het laat zich niet zomaar vangen in zoiets als ‘X is kunst dan en slechts dan het voldoet aan de voorwaarden y en z’. Er is altijd wel een X’ dat ergens tussen de voorwaarden y en z invalt, of alleen voldoet aan voorwaarde y of voorwaarde x, of half aan y en half aan x, enzovoort.

Heel lang waren er geen definities van kunst. De vraag ‘Wat is kunst?’ werd niet gesteld.

Er werd wel geschreven over kunst, maar het ging niet om de kunstwerken zelf of de beleving ervan, het ging om het hogere: dat wat boven de zintuiglijke ervaring (het aardse) uitsteeg, Het Schone en Het Verhevene waren belangrijk.

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk.

Aflevering 37 Fountain … een zaak van het hoofd of het hart?

De foto heb ik gemaakt in Auberge Auberive, FR

Stel dat Fountain van Duchamp is. Wat springt dan in het oog?

Het zou een gebaar met het hoofd zijn, een ‘filosofisch’ bedenksel, een uitgedacht plan om het publiek, critici, kunstenaars, musea en andere kunstliefhebbers, kunstkenners, mensen uit de kunstwereld en daarbuiten, op het verkeerde been te zetten.

En hoewel hij dus niet het urinoir had ingediend, heeft Fountain wel op die manier gefunctioneerd – als schokeffect – omdat mensen dáchten dat hij het had ingediend. Er zijn door filosofen vele theorieën op los gelaten, waarover later meer.

Stel dat Fountain van Von Freytag-Loringhoven is. Wat springt dan in het oog?

Het zou een gebaar met het hart zijn. Zij wás haar kunst, zij was al jaren bezig met gevonden objecten uit te roepen tot kunst, lang voordat Duchamp dat ging doen (zie ook mijn artikel Het kan waarschijnlijk geen hond iets schelen). Zij zág de kunst, de schoonheid in gevonden objecten, dat was geen bedenksel met het hoofd. Ik citeer uit het artikel in SeeAllThis, p.25-26: ‘Ze pionierde ook met assemblagekunst, sculpturen samenstellend uit vuilnis dat ze op straat vond.’ En: ‘Freytag-Loringhoven kwam langs op visite en ze had een bundel buizen bij zich die ze had opgepikt op de hoek, ze sleepte de buizen mee de trap op. Het klonk alsof iemand het gebouw uit elkaar aan het rukken was. Ze zei: “Is dit geen geweldige sculptuur?” En ze maakte geen grapje.’ En: ‘Zo ontstaat ook haar opmerkelijke sculptuur God in 1917, een zwanenhals die ze ergens gevonden had. […] wordt zelfs gezien als het zusterstuk van Fountain (ik heb op mijn Pinterest een bord gemaakt met wat werken van haar, daar is ook God te zien).

Maar goed, genoeg afgedwaald. Hoewel, dit is wel een belangrijk ‘dingetje’ in mijn onderzoek, het verschil tussen deze twee. Maar dat komt later. Nu eerst terug naar: Wat deden de filosofen? Waar ik aflevering 32 mee eindigde…

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk.

Aflevering 36 Duchamp een valsspeler?

Dat is misschien wat al te kras gesteld. Hij was natuurlijk wel een kunstenaar en heeft heus echt het een en ander geproduceerd en aan experimenten gedaan. Maar een dadaïst was hij niet.

Zijn pogingen om als dé ultieme dadaïst gezien te worden, zijn mede gelukt doordat hij heeft geëxperimenteerd met readymades. Zo heeft hij een fietswiel met de voorvork op een krukje gemonteerd en bijvoorbeeld een flessenrek, sneeuwschep en hoedenkapstok gepresenteerd als ‘kunstwerken’. Al deze voorwerpen zijn ‘verloren gegaan’. Dus als je ‘de sneeuwschep van Duchamp’ ziet, is dat er eentje van de klussenwinkel om de hoek, of eentje die hij opnieuw tot ‘zijn werk’ heeft gebombardeerd. En er bestaan verschillende opnieuw in elkaar geschroefde fietswielen op een krukje.

Met terugwerkende kracht heeft hij, en is, er alles aan gedaan deze readymades onder Dada te scharen. Toch, als je ziet wat de echte dadaïsten hebben voortgebracht, dan steken de readymades van Duchamp daar wat schraal bij af.

In aflevering 34 begon ik, voordat ik de Dada-omweg insloeg, met de zin:

Als je ervan uitgaat dat de kunstenaar Marcel Duchamp het urinoir heeft ingezonden en gesigneerd met R. Mutt, dan is dat helemaal niet zo’n logisch uitvloeisel van Dada.

In de vorige afleveringen (34 en 35) werd duidelijk dat Duchamp geen dadaïst is en er ook het liefste heel ver van weg bleef. In die zin kan het urinoir, Fountain, op geen enkele manier een logisch uitvloeisel van Dada zijn, want Duchamp moest niets hebben van Dada.

Je kunt hoogstens stellen dat Fountain een soort readymade was, een vervolggebaar dat in het conceptuele verhaal van Duchamp zou kunnen passen. En dat is dan ook, met handig gemanoeuvreer van Duchamp, veelvuldig en gretig als zodanig gepresenteerd.

Het gekke is dat de kleuring van het gebaar, een urinoir signeren en inzenden voor een tentoonstelling, heel anders is als je kijkt naar wie de inzender is: Duchamp of Elsa von Freytag-Loringhoven.

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk.

Aflevering 31 Fountain … en toen?

Het publiek dat geconfronteerd werd met (verhalen over) de omgekeerde pispot in het museum, had het een stuk lastiger om te snappen waarover het ging. Net als de jonge avant-garde impressionisten (zie aflevering 29) stelde de inzender van Fountain, Elsa von Freytag-Loringhoven, alias Barones Elsa (en dus niet Marcel Duchamp, zie mijn blog daarover), met haar gevonden attribuut de artistieke tradities en heersende kunstopvattingen aan de kaak.

Alleen was deze stap wel erg radicaal: een bestaand gebruiksvoorwerp in het museum plaatsen, gesigneerd en wel. Hoewel Fountain niets meer met schilderkunst te maken had, zijn mensen toch in staat geweest om conventies aan te passen en uit te breiden. Maar de razende vaart en de radicaliteit waarmee de veranderingen elkaar sindsdien opvolgen, maken het nog steeds lastig om te bepalen wanneer en waarom iets kunst is.

Het moeilijkst hieraan is dat kunstenaars steeds meer afstand hebben genomen van allerlei traditionele kunstvormen. Schilderijen werden verrijkt met zand, schelpen, steentjes en andere materialen om ten slotte als kunstvorm bijna geheel te verdwijnen. Neem Allan Kaprow, die zich in 1958 afzette tegen de artistieke traditie door te zeggen: “Ik ben ervan overtuigd dat schilderkunst stomvervelend is. Net als muziek en literatuur … Beweeg je armen in plaats van te schilderen; maak lawaai in plaats van muziek. Ik geef het schilderen en alle kunsten op door everything and anything, door alles en nog wat te gaan doen.” Hij meed musea, noemde ze ‘mausolea’ waar de kunst een ‘holy death’ te wachten stond.  (Ik heb dit uit de Volkskrant, recensie van Sacha Bronwasser, 2007, getiteld: Auto’s met jam insmeren.)

Sculptuur werd een kunstvorm waarvan de grenzen nauwelijks meer aan te geven zijn, want vallen bijvoorbeeld de werken van Land Art-kunstenaars ook onder ‘sculptuur’? Deze kunstenaars zwaaiden de traditionele kunstvormen vaarwel. Ze wilden ontsnappen aan musea en allerlei regels en wetten voor kunst.

De Land Art-kunstenaar trok de ‘wijde wereld’ in om op afgelegen plekken, moeilijk bereikbaar voor publiek, haar kunstwerken te maken (die soms door niemand gezien werden). In bijvoorbeeld een klein kunstproject als Seven snowballs melting, returned the following day, 4, 5 January 1995, van Andy Goldsworthy, legde de kunstenaar zeven sneeuwballen op de lage boomtak van een grote boom in een leeg landschap met de bedoeling dat het zou wegsmelten.

Of neem, als laatste voorbeeld, Oldenburgs Placid Civic Monument (een opgevuld gat in de grond). Tot wat voor kunstvorm zou dat kunnen behoren? Oldenburg liet een gat graven in Central Park achter het Metropolitan Museum om het vervolgens weer dicht te gooien. Ondertussen liet hij zijn publiek weten voor elke interessante interpretatie open te staan.

Dûs, schrijf ik, uiterst filosofisch …

Wat nu?

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk.

Aflevering 30 De omgekeerde pispot

Het grappige is dat tijdens de tentoonstelling van die omgekeerde pispot, met daarop de handtekening ‘R. Mutt’, niemand het ding te zien kreeg!

Van 10 april tot 6 mei 1917 stond het wel op de tentoonstelling, maar achter een gordijntje. De meerderheid van de organisatoren weigerde het ding ten toon te stellen, vandaar dit vreemde ‘compromis’.

Na de tentoonstelling maakte Alfred Stieglitz er een foto van, de enige, en vervolgens verdween het ding voorgoed.

Dus hoe kreeg een omgekeerde pispot dan toch al die aandacht?

Er werd druk over geschreven, bijvoorbeeld door recensent Gustav Kobbé, die blijkbaar wél achter het gordijntje had gegluurd. Of misschien kreeg hij een preview en had hij álle ingezonden werken kunnen bekijken? Kobbé schrijft in zijn recensie over ‘fountain’, maar dat komt omdat het niet netjes was om het woord ‘urinoir’ te gebruiken. De beschrijving wordt overgenomen door anderen en na een poosje staat de pispot bekend onder de titel Fountain.

Een andere recensent was Louise Norton. Ze schrijft een fris en scherp artikel, getiteld Buddha of the Bathroom. Hier vind je de Engelse versie en hier de Nederlandse (ik heb het zelf uitgetypt en vertaald, dus mogelijk zitten er wat taal-, vertaal- en typefouten in).

Hoewel het publiek op de dagen van de tentoonstelling het hele ding dus niet te zien krijgt, zijn alleen al de verhalen over Fountain ruim voldoende voor een hoop ophef. En Marcel Duchamp, de zelfbenoemde ‘uitvinder’ van dit werk, doet daar vrolijk aan mee.

Maar ja, hij was helemaal niet de inzender van Fountain

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk.

Het kan waarschijnlijk geen hond iets schelen

Elsa von Freytag-Loringhoven, lifelong nonconformist who personified Dadaism, posing in her apartment in New York in 1915. (Photo from TIMELINE (also interesting article about Elsa) and photo reference there is: Bettmann Archive via Getty Images)

Maar ik maak me er kwaad over!

Wat, wat, wat, waarover dan?

Nou, een poosje terug schafte ik SeeAllThis aan, een kunstmagazine met aandacht voor 99 geniale vrouwen in de kunst. Een special, speciaal gemaakt voor het zomernummer (#10, 2018), als ‘een opmaat naar het 100-jarig vrouwenkiesrecht in 2019’, zo schrijft founding editorNicole Ex in haar editorial.

Ja, en, mooi toch?

Zeker! Echt een magazine dat ik natuurlijk móest hebben, want wauw, zomaar 99 geniale vrouwen op een presenteerblaadje in één magazine.

Jaja, we weten het, jij en je vergeten kunstenaars (v). Filosofische speurneus.

Maar het is toch ook bizar dat je je helemaal gek moet graven om kunstwerken Lees verder “Het kan waarschijnlijk geen hond iets schelen”