Aflevering 59 Esthetische kenmerken dienen vermeden te worden

Foto en idee: Susan Hol.

Ach ja, die esthetische eigenschappen van kunstwerken. Is dat eigenlijk niet iets van eeeeuwen geleden? Zo lijkt het wel soms. Zeker als je esthetische kenmerken zoekt in de hedendaagse kunst, zoals performances, installaties, gevonden voorwerpen enzovoort, door deze kunst te vergelijken met de esthetische context van een schilderij als De bewening van Christus (zie afbeelding in aflevering 58), of met werken uit de eeuwen erna, zoals postimpressionistische werken uit 1910 of werken die bij de moderne kunst horen.

Moet je je bezighouden met een bepaalde esthetische context om hedendaagse kunst te kunnen waarderen? Past een context met esthetische kwaliteiten bij hedendaagse kunst? Is het wel relevant om op zoek te gaan naar esthetische kenmerken als het gaat om het waarderen van hedendaagse kunst?

Benjamin R. Tilghman heeft een mooi citaat in zijn boekje But is it Art? (1987, p. 82), namelijk dat Marcel Duchamp over zijn readymades zei: ‘I had to be careful to avoid the ‘look’ [of being art]’.

Pardon? Je doet je uiterste best om welk esthetisch kenmerk dan ook te vermijden?

Inderdaad. Zo blijkt. Duchamp ontdekte dat het heel moeilijk was om een object te kiezen, omdat hij het na twee weken óf geweldig vond óf helemaal niks (‘love it or hate it’). Hij probeerde juist zo onverschillig mogelijk te zijn, zonder welk esthetisch gevoel dan ook. De keuze van de voorwerpen moest voor hem altijd gefundeerd zijn op visuele onverschilligheid en een totaal gebrek aan goede of slechte smaak.

Tilghman noemt dit streven van Duchamp naar het ontbreken van esthetisch gevoel exemplarisch voor de hardnekkige overtuiging dat je kunst kunt loskoppelen van alle esthetische overwegingen.

Zijn er redenen voor dit radicale onderscheid tussen kunst en esthetiek? Tilghman weet er wel een paar.

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk.

Aflevering 38 Het Schone en het Verhevene

Deze foto heb ik tijdens het ‘blauwe uur’ gemaakt, ergens, ik weet niet meer waar 😉

Eigenlijk heb ik nu een behoorlijk dilemma.

Hoezo dat?

Nou, alle spraakmakende stukken in de filosofische esthetica, de richting waarin ik ben opgeleid, zijn gebaseerd op een Fountain-Duchamp-gebaar en niet op een Fountain-Von Freytag-Loringhoven-kunstwerk.

Dat zij het brein achter Fountain is werpt toch een ander licht op de zaak.

Aan de andere kant, hoe vanzelfsprekend het voor barones Elsa ook was om een urinoir als kunstwerk in te zenden, voor de kunstwereld was een bestaand object ingediend als kunstwerk voor in het museum een unieke gebeurtenis.

Dus als we puur naar het object kijken, wat sowieso de bedoeling is van dit deel (zie aflevering 25 slot en 26), dan blijft overeind dat Fountain het publiek (zie aflevering 32), kunstcritici (zie aflevering 32), maar vooral ook filosofen harde noten te kraken gaf.

Niemand had enige idee wat te denken van dit urinoir in het museum. Plotseling rees de vraag: Wanneer is iets kunst en wie bepaalt dat? En de vraag ‘Wat is kunst?’ klonk harder dan ooit. Was er nog wel een definitie te geven? Is kunst niet te veel in beweging daarvoor?

Kunst verandert steeds. Het laat zich niet zomaar vangen in zoiets als ‘X is kunst dan en slechts dan het voldoet aan de voorwaarden y en z’. Er is altijd wel een X’ dat ergens tussen de voorwaarden y en z invalt, of alleen voldoet aan voorwaarde y of voorwaarde x, of half aan y en half aan x, enzovoort.

Heel lang waren er geen definities van kunst. De vraag ‘Wat is kunst?’ werd niet gesteld.

Er werd wel geschreven over kunst, maar het ging niet om de kunstwerken zelf of de beleving ervan, het ging om het hogere: dat wat boven de zintuiglijke ervaring (het aardse) uitsteeg, Het Schone en Het Verhevene waren belangrijk.

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk.

Aflevering 37 Fountain … een zaak van het hoofd of het hart?

De foto heb ik gemaakt in Auberge Auberive, FR

Stel dat Fountain van Duchamp is. Wat springt dan in het oog?

Het zou een gebaar met het hoofd zijn, een ‘filosofisch’ bedenksel, een uitgedacht plan om het publiek, critici, kunstenaars, musea en andere kunstliefhebbers, kunstkenners, mensen uit de kunstwereld en daarbuiten, op het verkeerde been te zetten.

En hoewel hij dus niet het urinoir had ingediend, heeft Fountain wel op die manier gefunctioneerd – als schokeffect – omdat mensen dáchten dat hij het had ingediend. Er zijn door filosofen vele theorieën op los gelaten, waarover later meer.

Stel dat Fountain van Von Freytag-Loringhoven is. Wat springt dan in het oog?

Het zou een gebaar met het hart zijn. Zij wás haar kunst, zij was al jaren bezig met gevonden objecten uit te roepen tot kunst, lang voordat Duchamp dat ging doen (zie ook mijn artikel Het kan waarschijnlijk geen hond iets schelen). Zij zág de kunst, de schoonheid in gevonden objecten, dat was geen bedenksel met het hoofd. Ik citeer uit het artikel in SeeAllThis, p.25-26: ‘Ze pionierde ook met assemblagekunst, sculpturen samenstellend uit vuilnis dat ze op straat vond.’ En: ‘Freytag-Loringhoven kwam langs op visite en ze had een bundel buizen bij zich die ze had opgepikt op de hoek, ze sleepte de buizen mee de trap op. Het klonk alsof iemand het gebouw uit elkaar aan het rukken was. Ze zei: “Is dit geen geweldige sculptuur?” En ze maakte geen grapje.’ En: ‘Zo ontstaat ook haar opmerkelijke sculptuur God in 1917, een zwanenhals die ze ergens gevonden had. […] wordt zelfs gezien als het zusterstuk van Fountain (ik heb op mijn Pinterest een bord gemaakt met wat werken van haar, daar is ook God te zien).

Maar goed, genoeg afgedwaald. Hoewel, dit is wel een belangrijk ‘dingetje’ in mijn onderzoek, het verschil tussen deze twee. Maar dat komt later. Nu eerst terug naar: Wat deden de filosofen? Waar ik aflevering 32 mee eindigde…

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk.

Aflevering 36 Duchamp een valsspeler?

Dat is misschien wat al te kras gesteld. Hij was natuurlijk wel een kunstenaar en heeft heus echt het een en ander geproduceerd en aan experimenten gedaan. Maar een dadaïst was hij niet.

Zijn pogingen om als dé ultieme dadaïst gezien te worden, zijn mede gelukt doordat hij heeft geëxperimenteerd met readymades. Zo heeft hij een fietswiel met de voorvork op een krukje gemonteerd en bijvoorbeeld een flessenrek, sneeuwschep en hoedenkapstok gepresenteerd als ‘kunstwerken’. Al deze voorwerpen zijn ‘verloren gegaan’. Dus als je ‘de sneeuwschep van Duchamp’ ziet, is dat er eentje van de klussenwinkel om de hoek, of eentje die hij opnieuw tot ‘zijn werk’ heeft gebombardeerd. En er bestaan verschillende opnieuw in elkaar geschroefde fietswielen op een krukje.

Met terugwerkende kracht heeft hij, en is, er alles aan gedaan deze readymades onder Dada te scharen. Toch, als je ziet wat de echte dadaïsten hebben voortgebracht, dan steken de readymades van Duchamp daar wat schraal bij af.

In aflevering 34 begon ik, voordat ik de Dada-omweg insloeg, met de zin:

Als je ervan uitgaat dat de kunstenaar Marcel Duchamp het urinoir heeft ingezonden en gesigneerd met R. Mutt, dan is dat helemaal niet zo’n logisch uitvloeisel van Dada.

In de vorige afleveringen (34 en 35) werd duidelijk dat Duchamp geen dadaïst is en er ook het liefste heel ver van weg bleef. In die zin kan het urinoir, Fountain, op geen enkele manier een logisch uitvloeisel van Dada zijn, want Duchamp moest niets hebben van Dada.

Je kunt hoogstens stellen dat Fountain een soort readymade was, een vervolggebaar dat in het conceptuele verhaal van Duchamp zou kunnen passen. En dat is dan ook, met handig gemanoeuvreer van Duchamp, veelvuldig en gretig als zodanig gepresenteerd.

Het gekke is dat de kleuring van het gebaar, een urinoir signeren en inzenden voor een tentoonstelling, heel anders is als je kijkt naar wie de inzender is: Duchamp of Elsa von Freytag-Loringhoven.

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk.

Aflevering 35 Iets bijzonders en ook zeer menselijks

De originele foto heb ik gemaakt in Rome, daarna heb ik de foto verder bewerkt

Wat is dan dat bijzondere en menselijke?

Ik citeer uit het boek van Hubert van den Berg (zie aflevering 33, p. 250): ‘Wanneer ‘dada’ in de jaren veertig een positieve bijklank krijgt en het label zodoende langzaamaan van de nodige meerwaarde wordt voorzien, gaat ook menigeen die slechts zijdelings met dada van doen had of hoogstens iets vergelijkbaars had gedaan, zich nadrukkelijk als dadaïst presenteren.’

En Marcel Duchamp is er daar één van. Van den Berg (p. 250): ‘Het spectaculairste geval van een kunstenaar die aanvankelijk bewust afstand houdt, maar vervolgens – in het bijzonder in de Amerikaanse kunstgeschiedenis – naam maakt als een van de belangrijkste protagonisten van de dadabeweging, zoniet de belangrijkste dadaïst überhaupt, is Marcel Duchamp.’

En om het nog wat meer in te peperen vervolgt Van den Berg (p. 250) met: ‘Ten tijde van de historische dadabeweging moest hij weinig van dada hebben. Duchamp verzette zich er toentertijd tegen om als dadaïst te worden geboekstaafd en zo als dadaïst te kunnen worden afgedaan. Eind jaren veertig, begin jaren vijftig stelt Duchamp daarentegen het nodige in het werk om als pionier van de dadabeweging te worden erkend – en niet zonder succes.’

Verderop schrijft Van den Berg (p. 254-255) dat Duchamp vooral na de Tweede Wereldoorlog zijn New-Yorkse avant-gardistische activiteiten uit de jaren tien ‘als zenit van dada [gaat] presenteren en slaagt er daarbij in van een historische mug, het blaadje new york dada 1921, een historiografische olifant te maken. Terwijl dit eenmalige tijdschriftje feitelijk de enige manifestatie van dada-als-dada in New York was, weet Duchamp met succes het verhaal in de wereld te zetten of in ieder geval te versterken dat New York dé plaats is geweest waar dada zou zijn begonnen […] “Dada New York” met Marcel Duchamp in de hoofdrol als de ultieme pre- of protodadaïst.’

Dus hoewel Duchamp in de jaren tien echt helemaal níets met Dada te maken wil hebben, begint hij de voordelen ervan voor zichzelf te zien als Dada langzaam maar zeker steeds meer erkenning krijgt als belangrijke kunstbeweging.

Is hij een valsspeler?

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk.

Aflevering 34 Fountain, een logisch gevolg. Zou je denken?

De foto heb ik gemaakt in Rome, bij het Colosseum.

Als je ervan uitgaat dat de kunstenaar Marcel Duchamp het urinoir heeft ingezonden en gesigneerd met R. Mutt, dan is dat helemaal niet zo’n logisch uitvloeisel van Dada.

Hoezo denk ik dat? Dan moet ik even iets dieper ingaan op Dada.

De Dada-beweging ontstond na de Eerste Wereldoorlog. Volgens Hubert van den Berg, en hij kan het weten, want hij heeft Dada tot op het bot bestudeerd (zie zijn boek Dada. Een geschiedenis, 2016), begon het met Dada in het voorjaar van 1916 in Zürich. Berlijn volgde twee jaar later ‘en vervolgens’, zo schrijft Van den Berg in zijn inleiding, ‘in de vroege jaren twintig, van Amsterdam tot Zagreb, van Parijs tot Praag, van Tbilisi tot Tokio en van New York tot Santiago de Chile’.

Maar al snel na de wapenstilstand in 1918 valt de Dada-beweging uiteen. Ze is dus in feite van korte duur geweest, zoals vele avant-gardistische bewegingen voor en na Dada. De beweging was heftig en ingrijpend, maar kort. Het sudderde wel nog héél zachtjes hier en daar door, tot na de Tweede Wereldoorlog Dada herontdekt wordt.

In 1951 verschijnt de eerste naoorlogse dadabloemlezing en in de jaren erna is er regelmatig belangstelling voor de oude Dada-beweging, bijvoorbeeld in de vorm van tentoonstellingen, publicaties, de memoires van dadaïsten en heruitgaven van dadaïstische geschriften.

En dan gebeurt er iets bijzonders en tegelijkertijd zeer menselijks.

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk.

Het kan waarschijnlijk geen hond iets schelen

Elsa von Freytag-Loringhoven, lifelong nonconformist who personified Dadaism, posing in her apartment in New York in 1915. (Photo from TIMELINE (also interesting article about Elsa) and photo reference there is: Bettmann Archive via Getty Images)

Maar ik maak me er kwaad over!

Wat, wat, wat, waarover dan?

Nou, een poosje terug schafte ik SeeAllThis aan, een kunstmagazine met aandacht voor 99 geniale vrouwen in de kunst. Een special, speciaal gemaakt voor het zomernummer (#10, 2018), als ‘een opmaat naar het 100-jarig vrouwenkiesrecht in 2019’, zo schrijft founding editorNicole Ex in haar editorial.

Ja, en, mooi toch?

Zeker! Echt een magazine dat ik natuurlijk móest hebben, want wauw, zomaar 99 geniale vrouwen op een presenteerblaadje in één magazine.

Jaja, we weten het, jij en je vergeten kunstenaars (v). Filosofische speurneus.

Maar het is toch ook bizar dat je je helemaal gek moet graven om kunstwerken Lees verder “Het kan waarschijnlijk geen hond iets schelen”

Context en de prostituee als kunstobject

Elaine Vis, 2009, GoodBad, Een Ander Daglicht Utrecht (NL)

Marcel Duchamp heeft overtuigend aangetoond dat context belangrijk is voor de beleving van een object. In zijn poging elke flinter esthetiek te laten verdwijnen, kocht hij een massaal geproduceerd product. Dat kon van alles zijn, zoals een flessenrek, sneeuwschep, fietswiel en urinoir. Hij zette er een handtekening op en plaatste die dingen in de kunstcontext: een plek waar mensen samenkomen om van kunst te genieten (museum, tentoonstelling, presentatieplek). Zijn wens om iets te vinden dat geen esthetische waarde zou krijgen bleek een hopeloze actie. Lees verder “Context en de prostituee als kunstobject”