Aflevering 336 Feministische kunst wekt grote belangstelling

Verita Monselles, Paolina Borghese, 1978. Foto: Omslag catalogus met dat werk van Monselles dus. Foto genomen van mijn eigen exemplaar.

Ingelies Vermeulen citeert aan het slot van haar artikel Feministische kunst een (on)haalbaar ideaal? het beeld dat recensent Emmy van Overeem (1931-2012) in 1979 van de tentoonstelling Feministische Kunst Internationaal schetst (zie ook aflevering 335):

‘Wat er hangt en staat, worstelt met en lacht om de mens in twee uitvoeringen; wat er rondloopt doet hetzelfde. Moeders met kleuters die haar geen minuut rust gunnen om goed te kijken, verlegen mannen die flauwe grappen maken, echtparen die hun gebrek aan intimiteit teruggekaatst zien, vrouwen met elkaar die vrolijk of gegeneerd zichzelf door het geëxposeerde tentoongesteld voelen.’ (In: 2006, p.185)

Van Overeem zelf ervaart de tentoonstelling als een feest van herkenning, aldus Vermeulen, maar ook als een tentoonstelling die haar aan het denken zet over haar eigen idealen. Het beeld dat Van Overeem schetst past volgens Vermeulen helemaal bij de doelstelling die de organisatoren voor ogen had. Op de plenaire vergadering van de Stichting Vrouwen in de Beeldend Kunst (SVBK) stellen de vrouwen vast dat de gepubliceerde kritieken afwijken van wat het publiek vindt: bezoekers aan de tentoonstelling bekijken de kunstwerken met veel belangstelling. (2006, p.185-186)

‘Of dit ook op grote schaal leidde tot de totstandkoming van een bewustwordingsproces valt te betwijfelen’, schrijft Vermeulen (2006, p.186). Dat zal inderdaad reuze zijn meegevallen. Zo’n tentoonstelling zet wellicht mensen aan het nadenken, zoals bij Van Overeem is gebeurd. Het brengt dan misschien niets grootschaligs op gang, maar het is zeker wel een van de vele zaadjes die in die jaren 1960/70 geplant zijn om de weg naar een bewustwordingsproces te ontsluiten en open te houden.

Zo langzamerhand heb ik een aardig beeld wat zich tijdens, voor en vlak na de tentoonstelling Feministische Kunst Internationaal heeft afgespeeld. De catalogus bij deze tentoonstelling heb ik van voor tot achter doorgespit, inclusief de informatie over een scala aan vrouwelijke kunstenaars. Het wordt tijd om de blik te verbreden naar wat er in de rest van de wereld op het gebied van feministische kunst rond die tijd en later speelde. Dat ga ik doen aan de hand van het boek Framing Feminism, Art and the Women’s Movement 1970-85. Het is uitgeven in Londen, in 1987. Rozsika Parker en Griselda Pollock zijn de redacteuren en inleiders van het boek. Het boek is al even genoemd in aflevering 331.

Ik ga het boek van voor tot achter doorploegen, alle 360 pagina’s lang … de lezer is bij deze gewaarschuwd 😉

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk. Inhoudsopgave Feuilleton Abramović, met links per aflevering.

Aflevering 335 Feministische kunst versus ‘mannelijke kwaliteit’

Kirsten Jüstesen, Het beeldhouwwerk, 1978. Gevonden op: https://theartstack.com/artist/kirsten-justesen/sculpture-2-7.

De leden van de Stichting Vrouwen in de Beeldend Kunst (SVBK) ontwikkelen in de aanloop naar de tentoonstelling Feministische Kunst Internationaal ‘een groot wantrouwen’ naar elkaar (zie ook aflevering 334). De professionelere kunstenaressen hebben geen zin te investeren in de minder professionele leden, en daarnaast bekijken de kunstenaressen de kunsthistorici – die zich ook inzetten voor de verspreiding van het feministisch gedachtengoed – met argwaan. (Ingelies Vermeulen, Feministische kunst een (on)haalbaar ideaal?, 2006, p.184.)

Dit wantrouwen, deze argwaan is tegen alle verwachtingen van de SVBK in. Als de professionelere kunstenaressen hun kennis en kwaliteiten niet in dienst stellen van de anderen, waar blijf je dan ‘met je feministische of emancipatorische beweging? Waar blijf je met je solidariteit?’, noteert Vermeulen uit de SVBK-notulen. (2006, p.184)

De activiteiten en belangen van beide beroepsgroepen – kunstenaars en kunsthistorici – blijken ver uit elkaar te lopen. De kunstenaars verzetten zich tegen de theoretische aanpak van de kunsthistorici. In de catalogus feministische kunst internationaal wordt het belang van solidariteit benadrukt, eventuele kwaliteitscriteria worden niet besproken. Een grote groep vrouwelijke kunstenaars vreest beoordeling op vrouw-zijn en feministische opvattingen. Zonder kwaliteitsnormen voelen ‘zij zich bedreigd in hun moeizaam veroverde status als professionele kunstenaar’, aldus Vermeulen. (2006, p.184)

Veel vrouwen blijven bij voorkeur zo ver als maar mogelijk is weg van vrouwenproblematiek in hun kunstwerken. Zij willen juist laten zien dat het werk van vrouwen zich kan meten met dat van mannen. De bevestiging van het oude vooroordeel, dat vrouwen er als hobby een beetje bij schilderen, is het schrikbeeld dat opdoemt door mogelijk gebrek aan kwaliteit in de tentoonstelling Feministische Kunst Internationaal. (2006, p.184)

Kunstenaars (v) krijgen dan misschien minder kansen, ze zien daar zelf geen reden in om een eigen subcultuur te beginnen. Ze willen beoordeeld worden op hun werk en niet op hun vrouw-zijn. Maar de samenstellers van de tentoonstelling willen laten zien wat zij onder feministische kunst verstaan, voor een breed publiek, om iedereen een spiegel voor te houden, een spiegel met de boodschap: wees je bewust van je eigen positie in de maatschappij en de (on)mogelijkheden voor vrouwen. (2006, p.185)

De tentoonstelling zelf heeft aan belangstelling geen gebrek. Er is ophef en rumoer, er zijn recensies in dag-, week- en maandbladen, er zijn ingezonden brieven, er zijn (soms heftige) discussies naar aanleiding van Feministische Kunst Internationaal. Honderden bezoekers per dag komen op de tentoonstelling af, mede dankzij al dat rumoer.

Maar hoe was het nou eigenlijk om op die tentoonstelling rond te lopen?

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk. Inhoudsopgave Feuilleton Abramović, met links per aflevering.

Aflevering 334 Feministische kunst in een vrouwenkunsthuis?

Womanhouse (January 30 – February 28, 1972) organized by Judy Chicago and Miriam Schapiro, co-founders of the California Institute of the Arts (CalArts) Feminist Art Program. PIctured here, cover of the original exhibition catalog designed by Sheila de Bretteville. Foto gevonden op: http://www.womanhouse.net

Moeten vrouwelijke kunstenaars een eigen kunstwereld creëren en de patriarchale kunstwereld links laten liggen? Voor de SVBK-vrouwen die de tentoonstelling Feministische Kunst Internationaal organiseren is dat een serieuze overweging (zie aflevering 333). Zij denken dat in een eigen kunstcircuit vrouwelijke normen centraal kunnen staan.

Wat zijn dan die vrouwelijke normen?

Blijkbaar zoiets als ‘anti-hiërarchisch’ en ‘doordrongen van saamhorigheid’, want dat noteert Ingelies Vermeulen uit de notulen van de SVBK, evenals dat de SVBK-vrouwen ‘distantie van de hanerigheid’ van de mannenwereld willen. (Feministische kunst een (on)haalbaar ideaal?, 2006, p.183.)

De SVBK-vrouwen halen hun inspiratie voor die ideeën uit Amerika, waar de oprichting van speciale Women’s Art Centers een feit is. Een aantal SVBK-vrouwen pleit voor het oprichten van een vrouwenkunsthuis, een plek waar alle kunst van alle vrouwelijke kunstenaars getoond kan worden, zo schrijft Vermeulen (2006, p.183).

Dit doet mij denken aan de Woman’s Building (zie aflevering 110), opgericht door Judy Chicago, en het eenjarige grootschalige samenwerkingsproject Womanhouse, Los Angeles, 1971 (zie afleveringen 145, 217, 263264, 280), waaraan studenten (v), de kunstenaars-docenten Judy Chicago en Miriam Schapiro, en een aantal plaatselijke (LA) kunstenaars (v) van naam en faam meewerken.

Maar alle mooie ideeën ten spijt vormt het criterium van kwaliteit een splijtzwam in de SVBK. Er zijn natuurlijk kunstenaars (v) die met hard werken een plek hebben veroverd in de bestaande kunstwereld. Zij voelen er niets voor om met ‘te amateuristische kunst te exposeren en zich alleen nog maar te bewegen in een aparte kunstscène’, aldus Vermeulen (2006, p.183-184).

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk. Inhoudsopgave Feuilleton Abramović, met links per aflevering.

Aflevering 333 Feministische kunst: solidariteit versus kwaliteit

VVK-logo. Uit: informatiefolder VVK, doos 2, Archief VVK, IIAV. Gevonden op: https://cdn.atria.nl/epublications/IAV_B00105167.pdf.

Het samenwerken van kunstenaressen (solidariteit, zie aflevering 332) wordt gezien als verzet tegen de heersende opvatting van de kunstenaar als geniale eenling. Over deze samenwerking heb ik in deel 5E van dit feuilleton geschreven (aflevering 273 e.v.). Een goed voorbeeld daarvan, Sister Chapel, is ook aan bod geweest (zie afleveringen 222 en 223).

En hoe zorg je ervoor dat je minder elitair bezig bent dan de mensen in de mannelijke kunstwereld? Niet alleen door als kunstenaars (v) samen te werken, maar ook door als professionals samen te werken met amateurkunstenaars. Op deze manier kun je zowel verschillende kunstvormen als verschillende niveaus van kunstbeoefening met elkaar verbinden. (Ingelies Vermeulen, Feministische kunst een (on)haalbaar ideaal?, 2006, p.183).

Tijdens de paneldiscussie in het Stedelijk (zie aflevering 316) kwam het ‘solidariteitsbeginsel’ ook ter sprake, schrijft Vermeulen. Lucy R. Lippard bijvoorbeeld, in dit feuilleton al vele malen genoemd, stelt op dat moment dat ze geen enkele kwaliteitsnorm wil handhaven. ‘We kennen nog lang niet alle kunstenaressen, laten we eerst al het werk naar voren halen en bekijken en laten we nog niet over kunst praten, maar over vrouwelijke creativiteit’, zo citeert Vermeulen haar (2006, p.183).

Antje von Graevenitz, kunsthistoricus, toont zich volgens Vermeulen geïrriteerd over het standpunt van Lippard in Museumjournaal. Zij is van mening dat in de zienswijze van Lippard het vrouw-zijn gebruikt wordt als verontschuldiging voor een gebrek aan kwaliteit, wat volgens Von Graevenitz toch niet de bedoeling kan zijn. (2006, p.183)

De vrouwen van de Stichting Vrouwen in de Beeldend Kunst (SVBK) discussiëren veel over kwaliteit versus solidariteit. Hun grote probleem met de term ‘kwaliteit’ is dat het ‘verschil’ suggereert en ‘ongelijkheid’ veronderstelt. Kwaliteit is een begrip uit de door mannen gedomineerde kunstwereld en vrouwen moeten een eigen invulling geven aan zoiets als kwaliteit. (2006, p.183)

Als solidariteit de concurrentiestrijd opheft, kan dat een stimulans zijn voor vrouwen die nog niet bekend zijn in de kunstwereld. De tentoonstelling Feministische Kunst Internationaal kan dan laten zien dat vrouwen samen sterk en solidair zijn, zo bedenkt een aantal SVBK-vrouwen. (2006, p.183)

De grote vraag is: moeten vrouwen wel willen binnentreden in de patriarchale kunstwereld?

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk. Inhoudsopgave Feuilleton Abramović, met links per aflevering.

Aflevering 332 Feministische kunst, niet concurreren maar zelfreflectie, zelfbevrijding en maatschappelijk verzet

Sophia Narrett, So Many Hopes, 2016-17. Photo by Stan Narten. Courtesy of the artist.

De realistische werken van feministische kunstenaars worden ook wel gezien als een bevrijdende daad na jaren van ‘neutraal’ abstract werken, aldus Ingelies Vermeulen (Feministische kunst een (on)haalbaar ideaal?, 2006, p.181; zie ook aflevering 331).

Juist het belang van de inhoud wordt benadrukt door feministen als reactie op de mannelijke, meer vormgerichte benadering. De tentoonstelling Feministische Kunst Internationaal laat bijna uitsluitend realistische kunst zien, maar het is moeilijk vast te stellen of de kunstenaars daadwerkelijk meer met de boodschap dan de vorm bezig zijn geweest. (2006, p.181)

Zo vertelt kunstenaar Marianne Smits dat ze actief is in de vrouwenbeweging, maar dat haar werk niet feministisch is. Ze legt in ieder geval die intentie er niet in. ‘… misschien zien de objecten die ik maak er vrouwelijk uit, maar juist bij vrouwen wekken ze agressie’. En Wies de Bles (zie aflevering 330) zegt: ‘Kunst moet in de eerste plaats kunst zijn, vaktechnisch goed gemaakt werk, ongeacht je onderwerp. Maar misschien maak ik wel een soort ondergronds verborgen feminisme, alleen vanuit de wil om ondanks alles door te gaan.’ (2006, p.181-182)

Normaalgesproken gaat het bij het samenstellen van een tentoonstelling over ‘kunst’ en ‘selectie’, maar de vrouwen van de Stichting Vrouwen in de Beeldend Kunst (SVBK) spreken bij de samenstelling van Feministische Kunst Internationaalover ‘werkstukken’ en ‘keuze’. Dit heeft alles te maken met de in de vrouwenbeweging zo belangrijke solidariteit, een tegenhanger van de in de kunst gebruikelijke elitaire, ondemocratische mannencultuur. Geen concurrentie, maar specifieke uitingen van zelfreflectie, zelfbevrijding en maatschappelijk verzet van kunstenaars (v). (2006, p.182)

Feministisch engagement tonen, dát vinden de SVBK-vrouwen belangrijk voor hun tentoonstelling. Het doel daarbij is om de bestaande vrouw-man rolverdeling én de bestaande mannelijke kwaliteitsnormen in de kunstwereld aan de kaak stellen. Hoezo zouden naaien, breien, handwerken en het gezellig maken van de omgeving, ofwel de traditionele technieken van vrouwen, ‘waardeloos’ zijn? Niet voor vrouwen, anders waren deze technieken allang uitgestorven, maar wel voor die eenzelvige mannelijke kunstwereld. (2006, p.182)

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk. Inhoudsopgave Feuilleton Abramović, met links per aflevering.

Aflevering 331 Feministische kunst tegen navelstarende modernisten

Berthe Morisot, De les in de tuin, 1885. Olieverf op doek, 60,3 x 73 cm, Denver Art Museum. Ook besproken door Wieteke van Zeil in Volkskrantmagazine, 24082019, p.64-65. Foto gevonden op: https://www.itravelwithart.com/la-luminste-a-novel-about-a-female-painter/.

In de negentiende eeuw ging het vooral om de inhoudelijke betekenis van een schilderij. Belangrijk waren de verwijzingen naar literatuur, godsdienst, politiek of wetenschap. Was je niet thuis in kunst, cultuur, religie, politiek enzovoort? Dan kon je het als toeschouwer vergeten, je snapte de verwijzingen in de mooie afbeelding niet. (Zie aflevering 330, maar ook de afleveringen 28-29.)

De impressionisten verlegden de aandacht van inhoud naar vorm, en naar kleur, ruimte, het schilderij op zichzelf zonder enige verwijzing naar wat dan ook, behalve dan misschien naar elkaars schilderijen, ofwel, zoals Ingelies Vermeulen het verwoord: ‘… kunst [ging] zich steeds meer met zichzelf bezighouden en minder met het publiek’ (Feministische kunst een (on)haalbaar ideaal?, 2006, p.181).

Er ontstond een kloof tussen publiek en moderne kunst, toenemende abstractie maakte de kunstwereld een wereld op zich. De toeschouwer had steeds vaker uitleg nodig van een kunstcriticus om kunstwerken te begrijpen. Realistische werken werden steeds meer als onartistiek beschouwd. De waarde van een kunstwerk werd minder als er sprake was van een verhaal, thema en herkenbare inhoud. (2006, p.181)

Volgens Vermeulen heeft de feministische kunstbeweging zich steeds afgezet tegen een te modernistische benadering van kunst. Was een terugkeer naar figuratieve kunst niet eerder een vooruitgang? Immers, alle fasen in de kunsten zijn immers maar … fasen. De ontwikkeling van kunst naar een steeds grotere mate van abstractie, waarom zou dat het eindpunt van de moderne kunst moeten zijn? (2006, p.181)

Griselda Pollock (1949), kunsthistoricus, schrijft in haar boek Framing feminism, art and the women’s movement 1970-1985 (Londen, 1987) dat modernisme de overheersende cultuur van patriarchale kapitalistische samenlevingen is. De vertegenwoordigers van deze cultuur zeggen dat ze een waardevrije esthetische blik hebben waarmee ze naar kleuren en compositie kijken, maar, zo merkt Vermeulen terecht op, het is slechts één manier van kijken. (2006, p.181)

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk. Inhoudsopgave Feuilleton Abramović, met links per aflevering.

Aflevering 330 Feministische kunst: vorm versus inhoud

Foto: Susan Hol, 2019, van eigen exemplaar catalogus feministische kunst internationaal, p.65. Wies de Bles, Keurslijf, 1979, polyester, 75 x 45 cm.

Van kunst in dienst van een ideologie, zoals feministische kunst, krijgen velen de rillingen over de rug (zie aflevering 329). In de tentoonstelling Feministische Kunst Internationaal was in ieder geval veel werk te zien met een overduidelijke boodschap. Dat stoorde een groot aantal critici. Zij vonden dat een te grote aandacht voor de inhoud afdeed aan de aandacht die de kunstenaar voor de vorm moest hebben, aldus Ingelies Vermeulen (Feministische kunst een (on)haalbaar ideaal?, 2006, p.180).

De criticus Peters, zo schrijft Vermeulen, noteerde in Kunstbeeld: ‘de artistieke relevantie van een kunstwerk (staat en valt) niet met de aard van de anekdotische inhoud, maar met de manier waarop daaraan vorm gegeven is’ (in: 2006, p.180).

Dûh, zou ik haast zeggen. Maar is die eis van vorm boven inhoud niet de antieke mannelijke manier van kijken naar kunst? Het werk Keurslijf (1979) van Wies de Bles (1941) bijvoorbeeld (zie afbeelding bij deze aflevering), heeft wat mij betreft een goede balans in vorm en inhoud.

Deze kunstenaar koos ‘uit een soort rebellie tegen conventies’ in haar studiejaren (1959-1964, vrije academie te Den Haag) ‘voor beeldhouwen in plaats van schilderen, het tegenovergestelde van wat men van meisjes verwacht’, aldus Rosa Lindenburg in de tentoonstellingscatalogus feministische kunst internationaal (1978, p.65).

De lichamelijke inspanning van het beeldhouwen betekent voor Wies de Bles een krachtmeting met zichzelf. Voor haar werk met polyester ontwikkelt ze haar eigen procedé. De versnippering van tijd in haar huisvrouw-kunstenaarsbestaan benut ze ten volle: ‘Terwijl het polyester hard wordt, schil ik de aardappels. En onder de afwas bedenk ik hoe ik het beste en het snelste verder kan gaan’, aldus De Bles (1978, p.65)

Voor De Bles is kunst een vorm van poëzie, van innerlijke realiteit die zichtbaar gemaakt wordt. Haar onderwerp staat los van, maar is ook verbonden met haarzelf. Voordat er sprake was van ‘feministische kunst’, koos ze al feministische onderwerpen. Het schaduwbestaan van vele vrouwen, hun verborgen ware identiteit, heeft ze verbeeld met een kamerscherm waarover wat vrouwenondergoed hangt. Haar serie korsetten vormen een commentaar op de vereenzelviging van het vrouwenlijf met het maatschappelijk keurslijf. (1978, p.65)

Eigenlijk is het fascinerend dat de waardering van vorm boven inhoud met hand en tand werd verdedigd naar aanleiding van tentoonstelling Feministische Kunst Internationaal, er was immers een tijd dat vooral de inhoudelijke betekenis van een kunstwerk belangrijk was…

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk. Inhoudsopgave Feuilleton Abramović, met links per aflevering.

Aflevering 329 Feministische kunst of propaganda?

Maina-Miriam Munsky, Emanzipation, 1970. Tentoonstelling Feministische Kunst Internationaal, Haags Gemeentemuseum, 1979. Foto gevonden op: https://de.wikipedia.org/wiki/Maina-Miriam_Munsky#/media/File:Vrouw_bekijkt_het_schilderij_Baas_in_eigen_buik_van_Maina-Miriam_Munsky_(1943),_Bestanddeelnr_930-5396.jpg,

Marlite Halbertsma en Rosa Lindenburg willen af van de positivistische kijk op kunst, omdat kunstgeschiedenis vanuit een feministisch standpunt volgens hen alleen mogelijk is als die aloude uitsluitende aandacht voor zichtbare kenmerken wordt losgelaten (in: Ingelies Vermeulen, Feministische kunst een (on)haalbaar ideaal?, 2006, p.179; zie ook aflevering 328).

Halbertsma en Lindenburg zien in die jaren 1970 perspectief in de meer marxistisch geïnspireerde theorieën die kunst in een sociaaleconomisch kader plaatsen, aldus Vermeulen. Zij streven naar een minder elitaire positie van de kunstwereld, naar minder ontoegankelijke kunst, naar kunst waarvan vorm en inhoud niet alleen begrijpelijk zijn voor een kleine groep, de zogenoemde burgerlijke klasse. (2006, p.179)

Volgens Duitse kunsthistorica Cecilia Rentmeister (eerder genoemd in aflevering 316) is de eis van de vrouwenbeweging om toch vooral te gaan samenwerken, niet verenigbaar met de autonomie van de kunst. Halbertsma en Lindenburg zien dat anders. Juist samenwerking geeft volgens hen mogelijkheden tot verbroedering. Het pad dat zij voor ogen hebben voor de kunstenares is dat zij eerst de kans moet krijgen zich lost te maken van de traditionele kunstopvattingen (wat best een ding is, die bijvoorbeeld de afleveringen 107-114 waarin de worsteling van Judy Chicago hiermee is beschreven). (2006, p.179)

Daarnaast moet de kunstenares de obstakels van haar opleiding overwinnen. Vervolgens kan zij een rol spelen in de vrouwenbeweging. ‘Want echte creativiteit ontstaat slechts door confrontatie, reflectie en verandering. Halbertsma zag daar een rol voor de feministische kunst weggelegd’, aldus Vermeulen (2006, p.179)

Waarschijnlijk bedoelt Halbertsma hier dat in het directe contact met het publiek, maar ook met collega’s, de kunstenaar het een en ander kan opsteken over haar eigen werk en de effecten ervan op anderen. De kunstenaar kan er vervolgens bewust voor kiezen om wel of juist niet iets met deze effecten te doen in haar werk.

Maar ja, gaat vrije (individuele) kunst wel samen met het streven naar maatschappelijke veranderingen? Een heikel punt, dat in die jaren 1970 al gauw leidde tot zelfs vergelijkingen met dictatoriale regimes als in Nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie. Kunst of propaganda? Dat was de vraag die bij velen op het puntje van de tong lag.

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk. Inhoudsopgave Feuilleton Abramović, met links per aflevering.

Aflevering 328 Feministische kunst en positivisme

Maria van Oosterwijck, ‘Vaas met tulpen, rozen en andere bloemen met insecten’, 1669, Amsterdam, Denver Art Museum. Bron: Wikimedia Commons.

Volgens Theodor Adorno moet de geëngageerde kunstenaar in de allereerste plaats een autonoom kunstwerk maken, een kunstwerk waar de kritiek op mistanden in de samenleving niet vanaf druipt (zie afleveringen 326-327).

‘Kunst moet een buitenstaander willen zijn, afstand hebben tot de wereld’, citeert Ingelies Vermeulen Adorno in haar artikel (Feministische kunst een (on)haalbaar ideaal?, 2006, p.178). Ze schrijft vervolgens: ‘Vertaald naar de feministische kunst is de boodschap van Adorno dat de kunstenaars niet te veel met de over te brengen boodschap bezig mogen zijn. Dat kunstwerken op eigen kracht van een betere wereld moeten spreken om werkelijk engagement uit te stralen.’ (2006, p.178-179)

Eh, oh, hoe zit dat dan?

In aflevering 26 schreef ik: ‘Heb je het weleens meegemaakt? Je staat (uiterst welwillend) een object te bekijken en wordt er daadwerkelijk door geraakt. Lucky you! De meeste mensen overkomt het zelden.’ Als je zegt dat een kunstwerk op eigen kracht van een betere wereld moeten spreken, dan bedoel je in feite zoiets, dat je bam! wordt geraakt door het kunstwerk. Een tamelijk onzinnige eis. Het kunstwerk van de geëngageerde kunstenaar bevindt zich in een bepaalde context, het is geen losstaande eenheid dat nergens verband mee houdt. Het kán je enorm treffen, maar het hóeft niet.

Volgens Vermeulen spelen in de stukken van Marlite Halbersma (zie vanaf aflevering 96 e.v.) en Rosa Lindenburg (zie bijv. deel 5C vanaf aflevering 194 e.v.) over feministische kunst ook marxistische uitgangspunten een grote rol, net als bij Walter Benjamin en Theodor Adorno (zie aflevering 326). Halbertsma en Lindenburg willen af van de positivistische kijk op kunst. (2006, p.179)

Wat is dat, een positivistische kijk op kunst?

Het positivisme komt voort uit het empirisme, de filosofische stroming die stelt dat kennis alleen uit de ervaring verkregen kan worden. Echte kennis, zo meent de positivist, verkrijg je door de waarneembare, dus zekere en onweerlegbare, feiten. Een andere stevige voedingsboden voor het positivisme was het vooruitgangsgeloof: het idee dat alles zich verder ontwikkelt naar steeds hogere stadia van volmaaktheid (zie ook aflevering 131).

Vertaald naar de positivistische kijk op kunst betekent dit dat er alleen aandacht is voor de zichtbare kenmerken van het kunstwerk. Halbertsma en Lindenburg willen dat dit wordt losgelaten.

Waarom?

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk. Inhoudsopgave Feuilleton Abramović, met links per aflevering.

Aflevering 327 Feministische kunst: veroordelen van wandaden

Kunstenaar Nadia Plesner met een van haar werken op een T-shirt. Gevonden op: http://dontpaniconline.com/magazine/arts/nadia-plesner-vs-louis-vuitton.

‘Alleen door trouw te blijven aan zichzelf kan kunst daadwerkelijk kritiek uitoefenen en de hoop op iets anders levend houden’, zo valt te lezen in Feministische kunst een (on)haalbaar ideaal?, van Ingelies Vermeulen (2006, p.178).

Een zinnetje dat ze uit de theorie van Theodor Adorno heeft en dat op zichzelf vrij betekenisloos is. Het ‘uitoefenen van kritiek’ heeft met geëngageerde kunst te maken (zie aflevering 326). Een goed voorbeeld is misschien wel het schilderij Darfurnica, van de Deense kunstenaar Nadia Plesner. Het is gebaseerd op de Guernica van de schilder Pablo Picasso, maar in haar geval is het een aanklacht tegen de mediacultuur die groter nieuws maakt van Hollywoodsterren dan zoiets als het conflict in Darfur.

Plesner uit haar kritiek door het maken van een prachtig schilderij (dat voldoet aan: de kunst blijft trouw aan zichzelf), waarbij een sterk vermagerd Afrikaans jongetje op de linkerarm een klein lievelingetje van Hollywoodsterren (een chihuahua) heeft en aan de rechterarm een grote tas heeft hangen die verdacht veel lijkt op een ontwerp van de tassengigant Louis Vuitton (dat voldoet aan: daadwerkelijke kritiek). Het jongetje is omgeven door mediagiganten uit de wereld van de politiek, film en het leger.

Hoe zit het dan met de hoop op iets anders? Plesner hoopte op meer aandacht voor de situatie in Darfur (ze vertelt het zelf prima op haar site, wel in het Engels). Dat is in ieder geval enorm goed gelukt. Haar kritiek kwam aan. De uiterst wrange werkelijkheid – dat een modeproduct in een schilderij media-aandacht genereert voor een oorlog elders in de wereld (met mede dank aan de rechtbankprocessen door Vuitton) – heeft ervoor gezorgd dat de oorlogssituatie aldaar niet meer genegeerd kon worden.

Het proces dat de kunstenaar aan haar broek kreeg van tassenmaker Vuitton, kwam natuurlijk in het nieuws. Er werd heftig gediscussieerd over dat schilderij (zie bijvoorbeeld dit artikel in het NRC uit 2011) en andere kunstenaars maakten uit protest afbeeldingen met zo’n tas die lijkt op een ontwerp van Vuitton (zie site Plesner).

Maar heeft de situatie in Darfur iets gewonnen bij dit alles? Misschien sommige inwoners, bijvoorbeeld mensen die konden profiteren van de door Plesner opgericht fondsen voor hulpprojecten in Darfur. Het laatste nieuws vond ik hier, een reisadvies voor Sudan van het ministerie van Buitenlandse Zaken van vier dagen geleden. Darfur is een regio in het westen van Sudan.

Is het schilderij Darfurnica, net als het schilderij Guernica, in de eerste plaats een autonoom kunstwerk? Zeker, lijkt mij, al zou Adorno daar misschien anders over denken (zie aflevering 326). In tegenstelling tot wat hij denkt zijn beide schilderijen volgens mij juist gemaakt om wandaden te veroordelen, als eerste en enige doel. Om dat doel zo trefzeker mogelijk te bereiken, maken beide kunstenaars gebruik al hun (esthetische) krachten, kennis en ervaring.

Maar goed, wat heeft dit alles met feministische kunst te maken?

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk. Inhoudsopgave Feuilleton Abramović, met links per aflevering.