Aflevering 330 Feministische kunst: vorm versus inhoud

Foto: Susan Hol, 2019, van eigen exemplaar catalogus feministische kunst internationaal, p.65. Wies de Bles, Keurslijf, 1979, polyester, 75 x 45 cm.

Van kunst in dienst van een ideologie, zoals feministische kunst, krijgen velen de rillingen over de rug (zie aflevering 329). In de tentoonstelling Feministische Kunst Internationaal was in ieder geval veel werk te zien met een overduidelijke boodschap. Dat stoorde een groot aantal critici. Zij vonden dat een te grote aandacht voor de inhoud afdeed aan de aandacht die de kunstenaar voor de vorm moest hebben, aldus Ingelies Vermeulen (Feministische kunst een (on)haalbaar ideaal?, 2006, p.180).

De criticus Peters, zo schrijft Vermeulen, noteerde in Kunstbeeld: ‘de artistieke relevantie van een kunstwerk (staat en valt) niet met de aard van de anekdotische inhoud, maar met de manier waarop daaraan vorm gegeven is’ (in: 2006, p.180).

Dûh, zou ik haast zeggen. Maar is die eis van vorm boven inhoud niet de antieke mannelijke manier van kijken naar kunst? Het werk Keurslijf (1979) van Wies de Bles (1941) bijvoorbeeld (zie afbeelding bij deze aflevering), heeft wat mij betreft een goede balans in vorm en inhoud.

Deze kunstenaar koos ‘uit een soort rebellie tegen conventies’ in haar studiejaren (1959-1964, vrije academie te Den Haag) ‘voor beeldhouwen in plaats van schilderen, het tegenovergestelde van wat men van meisjes verwacht’, aldus Rosa Lindenburg in de tentoonstellingscatalogus feministische kunst internationaal (1978, p.65).

De lichamelijke inspanning van het beeldhouwen betekent voor Wies de Bles een krachtmeting met zichzelf. Voor haar werk met polyester ontwikkelt ze haar eigen procedé. De versnippering van tijd in haar huisvrouw-kunstenaarsbestaan benut ze ten volle: ‘Terwijl het polyester hard wordt, schil ik de aardappels. En onder de afwas bedenk ik hoe ik het beste en het snelste verder kan gaan’, aldus De Bles (1978, p.65)

Voor De Bles is kunst een vorm van poëzie, van innerlijke realiteit die zichtbaar gemaakt wordt. Haar onderwerp staat los van, maar is ook verbonden met haarzelf. Voordat er sprake was van ‘feministische kunst’, koos ze al feministische onderwerpen. Het schaduwbestaan van vele vrouwen, hun verborgen ware identiteit, heeft ze verbeeld met een kamerscherm waarover wat vrouwenondergoed hangt. Haar serie korsetten vormen een commentaar op de vereenzelviging van het vrouwenlijf met het maatschappelijk keurslijf. (1978, p.65)

Eigenlijk is het fascinerend dat de waardering van vorm boven inhoud met hand en tand werd verdedigd naar aanleiding van tentoonstelling Feministische Kunst Internationaal, er was immers een tijd dat vooral de inhoudelijke betekenis van een kunstwerk belangrijk was…

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk. Inhoudsopgave Feuilleton Abramović, met links per aflevering.

Aflevering 329 Feministische kunst of propaganda?

Maina-Miriam Munsky, Emanzipation, 1970. Tentoonstelling Feministische Kunst Internationaal, Haags Gemeentemuseum, 1979. Foto gevonden op: https://de.wikipedia.org/wiki/Maina-Miriam_Munsky#/media/File:Vrouw_bekijkt_het_schilderij_Baas_in_eigen_buik_van_Maina-Miriam_Munsky_(1943),_Bestanddeelnr_930-5396.jpg,

Marlite Halbertsma en Rosa Lindenburg willen af van de positivistische kijk op kunst, omdat kunstgeschiedenis vanuit een feministisch standpunt volgens hen alleen mogelijk is als die aloude uitsluitende aandacht voor zichtbare kenmerken wordt losgelaten (in: Ingelies Vermeulen, Feministische kunst een (on)haalbaar ideaal?, 2006, p.179; zie ook aflevering 328).

Halbertsma en Lindenburg zien in die jaren 1970 perspectief in de meer marxistisch geïnspireerde theorieën die kunst in een sociaaleconomisch kader plaatsen, aldus Vermeulen. Zij streven naar een minder elitaire positie van de kunstwereld, naar minder ontoegankelijke kunst, naar kunst waarvan vorm en inhoud niet alleen begrijpelijk zijn voor een kleine groep, de zogenoemde burgerlijke klasse. (2006, p.179)

Volgens Duitse kunsthistorica Cecilia Rentmeister (eerder genoemd in aflevering 316) is de eis van de vrouwenbeweging om toch vooral te gaan samenwerken, niet verenigbaar met de autonomie van de kunst. Halbertsma en Lindenburg zien dat anders. Juist samenwerking geeft volgens hen mogelijkheden tot verbroedering. Het pad dat zij voor ogen hebben voor de kunstenares is dat zij eerst de kans moet krijgen zich lost te maken van de traditionele kunstopvattingen (wat best een ding is, die bijvoorbeeld de afleveringen 107-114 waarin de worsteling van Judy Chicago hiermee is beschreven). (2006, p.179)

Daarnaast moet de kunstenares de obstakels van haar opleiding overwinnen. Vervolgens kan zij een rol spelen in de vrouwenbeweging. ‘Want echte creativiteit ontstaat slechts door confrontatie, reflectie en verandering. Halbertsma zag daar een rol voor de feministische kunst weggelegd’, aldus Vermeulen (2006, p.179)

Waarschijnlijk bedoelt Halbertsma hier dat in het directe contact met het publiek, maar ook met collega’s, de kunstenaar het een en ander kan opsteken over haar eigen werk en de effecten ervan op anderen. De kunstenaar kan er vervolgens bewust voor kiezen om wel of juist niet iets met deze effecten te doen in haar werk.

Maar ja, gaat vrije (individuele) kunst wel samen met het streven naar maatschappelijke veranderingen? Een heikel punt, dat in die jaren 1970 al gauw leidde tot zelfs vergelijkingen met dictatoriale regimes als in Nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie. Kunst of propaganda? Dat was de vraag die bij velen op het puntje van de tong lag.

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk. Inhoudsopgave Feuilleton Abramović, met links per aflevering.

Aflevering 328 Feministische kunst en positivisme

Maria van Oosterwijck, ‘Vaas met tulpen, rozen en andere bloemen met insecten’, 1669, Amsterdam, Denver Art Museum. Bron: Wikimedia Commons.

Volgens Theodor Adorno moet de geëngageerde kunstenaar in de allereerste plaats een autonoom kunstwerk maken, een kunstwerk waar de kritiek op mistanden in de samenleving niet vanaf druipt (zie afleveringen 326-327).

‘Kunst moet een buitenstaander willen zijn, afstand hebben tot de wereld’, citeert Ingelies Vermeulen Adorno in haar artikel (Feministische kunst een (on)haalbaar ideaal?, 2006, p.178). Ze schrijft vervolgens: ‘Vertaald naar de feministische kunst is de boodschap van Adorno dat de kunstenaars niet te veel met de over te brengen boodschap bezig mogen zijn. Dat kunstwerken op eigen kracht van een betere wereld moeten spreken om werkelijk engagement uit te stralen.’ (2006, p.178-179)

Eh, oh, hoe zit dat dan?

In aflevering 26 schreef ik: ‘Heb je het weleens meegemaakt? Je staat (uiterst welwillend) een object te bekijken en wordt er daadwerkelijk door geraakt. Lucky you! De meeste mensen overkomt het zelden.’ Als je zegt dat een kunstwerk op eigen kracht van een betere wereld moeten spreken, dan bedoel je in feite zoiets, dat je bam! wordt geraakt door het kunstwerk. Een tamelijk onzinnige eis. Het kunstwerk van de geëngageerde kunstenaar bevindt zich in een bepaalde context, het is geen losstaande eenheid dat nergens verband mee houdt. Het kán je enorm treffen, maar het hóeft niet.

Volgens Vermeulen spelen in de stukken van Marlite Halbersma (zie vanaf aflevering 96 e.v.) en Rosa Lindenburg (zie bijv. deel 5C vanaf aflevering 194 e.v.) over feministische kunst ook marxistische uitgangspunten een grote rol, net als bij Walter Benjamin en Theodor Adorno (zie aflevering 326). Halbertsma en Lindenburg willen af van de positivistische kijk op kunst. (2006, p.179)

Wat is dat, een positivistische kijk op kunst?

Het positivisme komt voort uit het empirisme, de filosofische stroming die stelt dat kennis alleen uit de ervaring verkregen kan worden. Echte kennis, zo meent de positivist, verkrijg je door de waarneembare, dus zekere en onweerlegbare, feiten. Een andere stevige voedingsboden voor het positivisme was het vooruitgangsgeloof: het idee dat alles zich verder ontwikkelt naar steeds hogere stadia van volmaaktheid (zie ook aflevering 131).

Vertaald naar de positivistische kijk op kunst betekent dit dat er alleen aandacht is voor de zichtbare kenmerken van het kunstwerk. Halbertsma en Lindenburg willen dat dit wordt losgelaten.

Waarom?

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk. Inhoudsopgave Feuilleton Abramović, met links per aflevering.

Aflevering 272 Fusie van ‘hogere’ en ‘lagere kunst’

Miriam Schapiro, Miriam’s Life with Dolls, 2006. Acrylic, fabric and collage on paper, 30¼ x 60 inches. Courtesy of Flomenhaft Gallery. Gevonden op: http://www.artcritical.com/2015/06/24/femmage-by-miriam-schapiro-and-melissa-meyer/.

Miriam Schapiro, de mede-uitvinder van femmage (zie afleveringen 145, 268, 270-271), maakt met lapjes stof grote abstracte waaiervormen of schikt ze in kleurige patronen tot het symbool van vrouwelijke dienstbaarheid: het schort, aldus Rosa Lindenburg (feministische kunst internationaal, 1978, p.45).

Schapiro ontwerpt daarnaast in die vroege jaren 1970 oosters geïnspireerde gewaden voor de nieuwe, bewust vrouw. Verder vervaardigt ze een serie getiteld Collaboration, waarbij ze de femmage-techniek gebruikt om de anonieme vrouwelijke creativiteit op gelijk niveau te brengen met de kunst van een vrouw als Mary Cassatt (1844-1926) die wél doordrong tot de gevestigde kunstwereld. (1978, p.45)

Als laatste ontwikkeling van de herwaardering van vrouwelijke creativiteit in de kunst noemt Lindenburg het opnemen van verschillende aspecten in één kunstwerk. Zo ontwerpt Joyce Kozloff een ruimte die wordt gevormd door een vloer van keramische tegels en zijden gordijnen met opgedrukte patronen. Ze maakt daarmee een nieuwe omgeving met elementen uit de opgewaardeerde vrouwenkunst uit de Pattern Painting beweging. (1978, p.45) Kozloff en deze beweging zijn uitgebreid ter sprake gekomen in de afleveringen 259 en 260.

De zogenoemde ‘lagere’ en ‘hogere’ kunstvormen zijn in elkaar opgegaan door een bewust feministische stellingname in het creatief proces, concludeert Lindenburg (1978, p.45).

Op naar thema 5, het laatste thema van deze serie in deel 5.

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk. Inhoudsopgave Feuilleton Abramović, met links per aflevering.

Aflevering 271 Femmage, ga er maar aanstaan (vele criteria)

Ria van Eyk, My woven diary 1976.9.01 – 1977.5.31. Gevonden op: https://www.stedelijk.nl/nl/collectie/95436-ria-van-eyk-my-woven-diary-1976.9.01-1977.5.31.

Een femmage-werkstuk, gecreëerd vanuit bewust vrouwelijk standpunt, gaat verder dan traditionele aspecten van de vrouwelijke cultuur (zie afleveringen 269 en 270). Melissa Meyer en Miriam Schapiro noemen een aantal criteria om een kunstwerk als femmage te kunnen beschouwen:

  • gemaakt door een vrouw;
  • sparen en verzamelen als belangrijk ingrediënt;
  • restjes belangrijk bij het proces en bij de uiteindelijke verwerking;
  • thema heeft verband met het vrouwenleven;
  • elementen van verborgen beeldtaal;
  • het thema richt zich tot een intieme groep ingewijden;
  • het gaat om een privé- of openbare gebeurtenis;
  • dagboekachtig karakter;
  • tekening en/of handschrift maken deel uit van het werkstuk;
  • silhouet-voorstellingen op ander materiaal gehecht;
  • afleesbare voorstellingen in verhalende volgorde;
  • abstracte vormen creëren een patroon;
  • het werk bevat foto’s of ander gedrukt materiaal;
  • het werk heeft een functionele en een esthetische waarde.

Van deze criteria moet de helft of meer aanwezig zijn, pas dan is sprake van femmage.

De Nederlandse Marianne Smits (in 2004 terug ‘gedoopt’ naar haar familienaam Grootenboer) en Ria van Eyck voldoen zeker aan een aantal femmage-criteria. Voor hen is echter het verwerken van kleuren in hun kunstwerken van groot belang, en vooral ook dat die kleuren bepaalde gevoelens moeten symboliseren. Smits doet dat in de jaren 1970 in haar visuele dagboeken van textiel, Van Eyck weeft het in haar wandkleden (zie afbeelding bij deze aflevering). Beide kunstenaars zijn nog steeds actief (klik op hun naam en je komt op hun websites) en hun belangstelling voor kleur is allesbehalve minder geworden.

Miriam Schapiro was zelf uiterst actief in het creëren van femmage-werkstukken.

Bron bij dit blog: tentoonstellingscatalogus feministische kunst internationaal, 1978, p.44-45 (Rosa Lindenburg).

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk. Inhoudsopgave Feuilleton Abramović, met links per aflevering.

Aflevering 270 Hobby-Art?

Miriam Schapiro, Collaboration Series: Mary Cassatt and Me, 1976. Collage, waterverf op papier. In femmage-techniek (zie aflevering 145) geeft Schapiro een verbinding aan tussen de sociale creativiteit van de vrouw (het verwerken van lapjes) en het werk van een succesvol kunstenares. Foto gevonden bij: https://www.flickr.com/photos/54207686@N07/5685443430.

Vrouwen werken al eeuwenlang met restjes stof, prentjes, kleurige draden en allerlei ander ‘waardeloos’ materiaal om iets nieuws te maken. Rosa Lindenburg duidt dat als ‘vrouwelijk hobbyisme’, waarschijnlijk geheel in traditie met hoe er ook nog in die tijd tegen werk van vrouwen werd (en misschien nog steeds wordt) aangekeken. (feministische kunst internationaal, 1978, p.44)

Ik zie het meer als werken met de middelen die je tot je beschikking hebt om – zonder dat iemand je een (afkeurende) strobreed in de weg legt – iets te doen met je creatieve mogelijkheden. Lucy Lippard schijnt erop gewezen te hebben dat de populariteit van dergelijken Hobby-Art (zie aflevering 269) bij vrouwen uit de middenklasse vooral berust op de oude traditie in het vrouwenleven om van niets iets te maken. (1978, p.44)

Lindenburg merkt op dat er vanuit de kunstwereld erg neergekeken wordt op zulke Hobby-Art ten behoeve van bazaars, geschenkenhuisjes, kunst- en kerkmarkten. Toch ligt hier een potentieel aan vrouwelijke creativiteit dat genegeerd wordt, schrijft Lindenburg (die geloof ik Lippard citeert, maar dat is niet echt duidelijk; 1978, p.44). Genegeerd, jawel, maar door de kunstwereld dan, lijkt mij, want Hobby-Art vindt wel degelijk gretig aftrek onder een groot publiek.

De verwachting onder feministen is dat wanneer het onderscheid tussen ‘hogere’ en ‘lagere’ kunst, tussen museumkunst en folkloristische kunst meer zal vervagen, iets dergelijks als Hobby-Art serieus genomen moet worden. En dat kan alleen maar als feministische kunst niet zal eindigen als een van de vele stromingen in de patriarchale kunstwereld, maar open zal blijven staan voor vrouwelijke creativiteit. (Lindenburg/Lippard, 1978, p.44)

Het is deze Hobby-Art die Melissa Meyer en Miriam Schapiro op het idee van de term femmage bracht (zie afleveringen 145 en 268). Met deze term wilden zij aangeven dat technieken als collage, assemblage, découpage en fotomontage allang door vrouwen in hun dagelijkse bezigheden gebruikt werden, vóór ze door mannen in de gevestigde kunst gemonopoliseerd werden. (1978, p.44)

Visuele dagboeken als merklappen, fotoalbums, poëziealbums en het maken van lappendekens, zijn oude vormen van het femmage-proces. In Nederland pasten Marianne Smits en Ria van Eyck het oude idee van visuele dagboeken op een nieuwe manier toe.

Hoe dan?

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk. Inhoudsopgave Feuilleton Abramović, met links per aflevering.

Aflevering 269 Gloednieuwe visie op kunst als gebaar

Het verzorgen van de omgeving bestaat natuurlijk ook uit schoonmaken en opruimen, een ander onderdeel van de sociale creativiteit (zie deel 5D en specifiek aflevering 255). Rosa Lindenburg noemt hierbij Mierle Laderman Ukeles, een kunstenaar die al eerder is besproken in de afleveringen 145 en 255. In haar werk, Maintenance Art Works, ofwel ‘onderhoudskunst’, herschept Ukeles de omgeving en maakt zij schoonmaken en opruimen tot kunst (feministische kunst internationaal, 1978, p.43).

Ukeles deelt daarbij buttons uit waarop iedereen kan invullen hoeveel uur zij of hij per dag aan deze kunstvorm besteedt. Het gaat Ukeles niet alleen om huisvrouwen, zij betrekt in haar herwaardering ook beroepsschoonmakers – laagbetaalde en ongeschoolde arbeiders – en maakt collectieve portretten van schoonmaakactiviteiten in grote gebouwen. (1978, p.43)

Kunstenaar Carla Kaper nam specifiek de verzorgende rol van de vrouw als uitgangspunt voor haar Eat Art. Als je kinderen hebt, zo schrijft Lindenburg, wordt je steeds met snoep geconfronteerd. Daaraan is het ontstaan van Suikertiet te danken, een vrouwenborst, opgebouwd uit gekleurde suikerklontjes. Helaas ende jammer … niets van te vinden verder, dus de eigen fantasie gebruiken dan maar 😉 (1978, p.43)

Het moge duidelijk zijn dat vele varianten bij de herwaardering van de traditionele vrouwelijke creativiteit een bron van inspiratie kunnen zijn voor het omvormen tot een bewuste vrouwelijke kunst. ‘Een belangrijke schakel in die herwaardering zou de Hobby-Art kunnen zijn, aldus Lindenberg. (1978, p.43-44)

De Hobby-Art? Wat is dat nou toch weer?

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk. Inhoudsopgave Feuilleton Abramović, met links per aflevering.

Aflevering 268 Dagmar Dorsten: het ik is een zee zonder maat en grenzen

Foto: Susan Hol, 2019, van eigen exemplaar catalogus feministische kunst internationaal, p.69. Dagmar Dorsten, Rapunzel lass dein Haar herunter, 1978, stoffen, foto’s op papier en linnen 190 x 130 cm.

Een essentieel onderdeel van de sociale creativiteit, hét onderwerp van dit deel 5D, is het verzorgen van de omgeving (zie ook aflevering 255). Kunstenaars Dagmar Dorsten en Elke Lixfeld hebben dit in kunst omgezet, schrijft Rosa Lindenburg (feministische kunst internationaal, 1978, p.43).

De twee vrouwen deden samen in Berlijn een performance, ze creëerden een situatie waarin zij een van oudsher typisch vrouwenwerk deden: het aanmaken van een ouderwetse kachel. Het werk bij de kachel, de stapeltjes hout, vormden daarna weer het onderwerp voor een kunstwerk in textiel. (1978, p.43)

Helaas is van Dagmar Dorsten op internet erg weinig te vinden. Haar collega heeft een site: Elke Lixfeld, maar daar valt niets over dit project uit begin jaren 1970 te vinden, wel dat ze geboren is in 1942. In de catalogus bij de extra info over de kunstenaars staat wat meer over Dorsten. Ook zij is geboren in 1942, in de DDR. Ze is opgeleid als foto-retoucheur in Hamburg en daarna deed ze de toneelschool en was enige tijd actrice. Het lijkt erop dat ze beeldend werk en toneelwerk combineerde. (feministische kunst internationaal, 1978, p.69).

Dorsten heeft zich een poosje gestort op sprookjes. De vrouwen in die tijd moesten immers ergens identificatiefiguren vandaan halen, want tja, van de geschreven historie moesten ze het niet hebben. Vaak grepen ze dan ook terug op sprookjes en godinnen, om vervolgens de verhalen naar hun hand te zetten.

Als techniek gebruikt Dorsten een combinatie van textiel, borduursels, patchwork en eigentijdse fotografie. De afbeelding bij deze aflevering is bijvoorbeeld gemaakt van stoffen, foto’s op papier en linnen. Dorsten noemt het foto-borduursels, en de afbeelding is een zelfportret geïnspireerd op het sprookje van Rapunzel, de maagd die haar lange haar voor de prins liet vallen zodat hij in haar toren kon komen (verhaal op wikip.). In de versie van Dorsten heeft een boom de plaats ingenomen van de prins; de boom is een fotocollage. ‘De wortels zijn mijn verleden en de gezichten van mijn vrienden zijn de bladerenkroon van mijn levensboom’, zegt ze daar zelf over. (1978, p.69)

De Rapunzel in het zelfportret van Dorsten is geen passieve figuur die alles maar overkomt, zoals in het sprookje. De vlecht symboliseert de jaren van haar leven en vormt de verbinding tussen verleden en heden. ‘Zij hoeft niet te kappen met dat verleden om gelukkig te worden, maar ziet haar leven als een eenheid, met zichzelf als middelpunt’, aldus Marlite Halbertsma (1978, p.69)

Volgens Halbertsma is Dorstens Rapunzel een goed voorbeeld van femmage, waarbij de combinatie van een veelheid van technieken een sterk beeld oplevert van de visie van een vrouw op haar eigen leven (1978, p.69; zie ook aflevering 145).

Naast de geborduurde titel op Rapunzel lass dein Haar herunter, staan twee wijze inzichten geborduurd: sein heißt allein sein (zijn betekent alleen zijn) en: das Ich ist ein meer ohne mass und grenzen (het ik is een zee zonder maat en grenzen) (zie foto bij deze aflevering).

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk. Inhoudsopgave Feuilleton Abramović, met links per aflevering.

Aflevering 267 Raymonde Arcier maakt het immense werk van vrouwen zichtbaar

Raymonde Arcier, Héritage les tricots de ma mère, 1972-1973, wol, gehaakt, 300 x 280 cm. Gevonden op: https://www.dictionnaire-creatrices.com/en/fiche-raymonde-arcier.

‘Zolang je moet breien (vrouwelijk) met koperdraad (mannelijk) om iets vrouwelijks aan het mannelijke toe te voegen en omgekeerd, is er een specifiek vrouwelijke kunst. Ik zal het uitleggen’, aldus Raymonde Arcier (1939) (feministische kunst internationaal, 1978, p.59), die onder andere het kunstwerk bij dit blog heeft gemaakt: een enorme trui waarin ze de truitjes heeft verwerkt die haar moeder voor haar breide. De trui is een gezamenlijke erfenis van moeder en dochter, maar, zo schrijft Rosa Lindenburg (1978, p.43), de trui is gegroeid en symboliseert zo hoe de dochter onafhankelijk van de erfenis is geworden.

Maar Arcier werkte blijkbaar ook met koperdraad aan haar breinaalden. Ze legt uit: ‘Wij vrouwen worden gedwongen in een mannelijke wereld te leven, het is aan ons om de keuze te maken en het beste over te nemen zonder onszelf te verliezen. In de toekomst zal de vrouw sneller dan de man een volledig mens worden als ze haar eigen identiteit weet te bewaren. Zij zal dan zowel mannelijke als vrouwelijke eigenschappen hebben. Mannen zullen dit veel langzamer bereiken.’ (1978, p.59)

‘De vrouwelijke eigenschappen zijn extreem ondergewaardeerd in deze phallocratische maatschappij’, vervolgt Arcier, ‘maar dit neemt niet weg dat mannen dit nieuwe bewustzijn dat ik met mijn werk wil uitdrukken kunnen navoelen en overnemen. Ik vind het belangrijk om niet zoals een man te worden. Mijn kunst is vrouwelijk, maar het is mannelijk om het te laten zien.’ (1978, p.59)

Op haar site staat op de openingspagina haar eigen uitspraak als citaat: Je cherche à porter à la connaissance de tous l’immense labeur des femmes. Ze probeert iedereen bewust te maken van het immense werk dat vrouwen verzetten.

Rond 1970 begon ze met het maken van reusachtige poppen (huisvrouwen), boodschappentassen, pannensponsen, soms gebreid of gehaakt met ongewone materialen als plastic- en koperdraad. Het grote formaat gaf haar een gevoel van bevrijding uit al die dagelijkse huishoudelijke beslommeringen, aldus Din Pieters (1978, p.59).

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk. Inhoudsopgave Feuilleton Abramović, met links per aflevering.

Aflevering 266 Angelika Kaufmann, niet herwaarderen maar afrekenen

Foto: Susan Hol, 2019, van eigen exemplaar catalogus feministische kunst internationaal, p.75. Angelika Kaufmann, Stopfen & Flicken (Stoppen & Verstellen) IV – Erinnerungen an Meine drei handarbeitslehrerinnen, 1977, papier, genaaid, 50 x 65 cm.

Sommige vrouwen doen niet aan herwaardering (zie afleveringen 254-265) maar aan afrekening. Angelika Kaufmann (1935) bijvoorbeeld laat zich inspireren door patroontekenen, naaien en de verplichte opvoeding in die vaardigheden op school. Haar tekeningen zijn een afrekening met de vrouwelijke handvaardigheden.

Vanaf 1975 ongeveer houdt zij zich intensief bezig met patroontekenen en naaien. Ze kreeg haar beroepsopleiding op een meisjesschool en voor haar is het onloochenbaar dat ze daar (en niet alleen daar) geconditioneerd is voor de vrouwelijke rol in de maatschappij.

De patroontekeningen hebben het gedragen kledingstuk en de vraag naar de drager ervan, naar de mensen, als uitgangspunt: het geslacht, de maatschappelijke klasse, leeftijd, het beroep en de uiterlijke verschijning van de eigenaar. Ze heeft bijvoorbeeld gekozen voor drie kledingstukken die karakteristiek zijn voor bepaalde groepen mensen: de arts, de arbeider en de gedetineerde, en stelde daartegenover een kind (v).

Kaufmann werkt daarbij van herkenbaar kledingstuk naar abstract: eerst legt ze het kledingstuk plat neer, daarna gedeeltelijk gevouwen en vervolgens helemaal samengevouwen. Van dat hele proces maakt ze foto’s en tekeningen. Zo toont Schnittbild 4 / A (flach gelegt) het eerste stadium van de bewerking die een spijkerjack van een arbeider onderging. Het plat neergelegde dunne patroonpapier toont nog duidelijk de vorm van een jasje.

Misschien goed om te weten voor de jonge lezers: er was een tijd dat de meisjes op school les in handwerken kregen terwijl de jongens gymnastiek of handenarbeid hadden. Ook ik heb nog leren breien, haken, knoopsgaten maken en verstellen in de vroege jaren 1970 op de basisschool. Kaufmann heeft, in een poging om haar schooltijd te overwinnen, genaaide tekeningen gemaakt. Ze maakt op die manier met een conventioneel vrouwelijk instrument iets on-nuttigs, wat een gevoel van bevrijding geeft.

Zelf zegt ze: ‘Tien jaar geleden zou ik dit werk niet gemaakt hebben: deze handwerken komen overeen met mijn ontwikkeling en zijn een erkenning van mijzelf, mijn sekse, mijn vrouw-zijn.’

Bron bij dit blog: tentoonstellingscatalogus feministische kunst internationaal, 1978, p.43 (Rosa Lindenburg), p.75 (Din Pieters).

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk. Inhoudsopgave Feuilleton Abramović, met links per aflevering.