Aflevering 379 Dorre, kale, barre post-conceptuele jaren

Foto: Susan Hol, 2013

Op 17 april typt kunstenaar Lawrence Weiner een kunstwerk dat – als kunstwerk – in Arts Magazine verschijnt, schrijft Tom Wolfe (Het geschilderde woord, 1982, p.87, zie ook aflevering 378).

Het is een kunstwerk zonder welke visuele waarneming dan ook. Er is geen realisme, geen voorstelling, geen lijn, geen kleur, geen vorm, geen contour, geen pigment, geen toets, geen evocatie (iets in gedachten oproepen, het weer voor je zien), geen lijst, geen muur, geen galerie, geen museum. Het platter dan platst en dan nóg platter is klaar (zie afleveringen 374-377). Er is ‘geen publiek meer nodig, alleen nog een ‘ontvanger’ die wel of geen persoon kan zijn, die er helemaal niet hoeft te zijn, geen geprojecteerd ego meer, alleen nog ‘de kunstenaar’ in de derde persoon die iemand, maar ook niemand kan zijn’,  aldus Wolfe. (1982, p.88)

Hoe ziet dat kunstwerk in Arts Magazine er dan uit? Nou, zo:

  1. De kunstenaar kan het werkstuk maken
  2. Het werkstuk kan worden vervaardigd
  3. Het werkstuk hoeft niet te worden gebouwd (1982, p.87)

Na de lange weg van realistische beeldende kunst via moderne kunst naar theorie (zie afleveringen 364-378) komt aan het eind van de steeds smaller wordende tunnel de Theorie als overwinnaar tevoorschijn. ‘… pure, onvervalste theorie’, schrijft Wolfe, ‘woorden op papier, literatuur, van alle smetten vrij, plat, platter, Platst, een onzichtbaar, ja, onuitsprekelijk visioen, zo onuitsprekelijk als de engelen en de Universele Zielen.’ (1982, p.88)

Terwijl de moderne kunst in volle vaart richting verdwijnpunt gaat, wat in alle media zoveel aandacht krijgt dat het lijkt alsof het klaar is met de beeldende kunst, zijn er rond 1970 alweer schilders die echt niet op hun handen gaan zitten. Wolfe noemt de Fotorealisten, mannen die Popachtige taferelen en objecten – auto’s, aanhangers, winkelpuien, parkeergarages, motorfietsmotoren – zeer nauwkeurig naschilderen, met verf, op linnen en vaak in groot formaat. Deze kunstwerken worden hevig afgekraakt, maar gaan wel als warme broodjes over de toonbank. (1982, p.89)

Hoe inzichtelijk deze exercitie van Wolfe ook is geweest de afgelopen afleveringen, is er één ding jammer: hij richt zich vrijwel uitsluitend op mannelijke kunstenaars. Dat geeft te denken. De theoretisering richting verdwijnpunt blijkt al iets van een relatief klein clubje te zijn, ‘Cultuurburg’ in de woorden van Wolfe, maar is het daarnaast dan vooral een ‘mannending’?

In die ‘dorre, kale, barre post-conceptuele jaren’, schrijft Janet Daley, ‘is Tessa Schneideman het soort schilder die, volgens mij, zomaar de sleutel in handen kan hebben voor de figuratieve revival die zovelen van ons hebben voorspeld.’* (zie ook aflevering 364)

*Daley, Janet (1977). Women Artists in the UK. Nine women critics write about women artists of their choice working in the UK. Tessa Schneideman. Studio International. Journal of Modern Art, 3, vol.193, no.987: 180.

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk. Inhoudsopgave Feuilleton Abramović, met links per aflevering.

Aflevering 378 Beeldende kunst = Literatuur

Susan Hol, Conceptuele Kunst, 2019.

Conceptuele kunst bestaat uit twee soorten, zo schrijft Tom Wolfe in zijn boek Het geschilderde woord (1982, p.84) (zie aflevering 377).

Soms kun je de conceptuele kunst heel even zien. Het is gemaakt met een houdbaarheidsdatum, zoals een tekening van water: water droog, tekening weg; of een sculptuur van sneeuwballen: zonnetje erop, sculptuur weg; of … nou ja, wat ik allemaal geschreven heb in het artikel De (on)zichtbaarheid van een werk.

De andere soort conceptuele kunst is totaal onzichtbaar. Tom Wolfe geeft als voorbeeld een getypte documentatie van een onzichtbaar kunstwerk. (1982, p.85) Die documentatie zie je meestal bij de onzichtbare conceptuele kunst, want ja, anders heb je helemaal niets. Beetje tegenstrijdig, dus, toch wel.

Maar goed, het voorbeeld van Wolfe is een minutieuze beschrijving van een kunstenares (haar naam is hij vergeten…) getiteld Beautiful Toast Dream. De personages zijn een geroosterde boterham, margarine, een mesje, suiker en kaneel, het taalgebruik is zoiets als: ‘de kleverige vloed van hitte, staal en broodvezels’ en ‘van margarine doordrenkte suikerkorrels langs haar tanden schuren en in haar mondhoeken blijven kleven’. Geen tekening, schilderij, film, foto of andere manier om het beeld van de boterham te laten zien, maar een, zoals Wolfe schrijft, ‘magnifiek stuk post-Proustiaanse literatuur’. (1982, p.85-86)

De cirkel is hiermee wel zo’n beetje rond. De laat twintigste-eeuwse moderne kunst komt uiteindelijk tot een finale vorm … pure literatuur. Al is het einddoel nog niet helemaal in zicht, want bij de Beautiful Toast Dream komt toch ook nog de verbeelding om de hoek kijken, een visuele ervaring. Dus hup, weg daarmee, alleen een paar letters op papier, gewoon, zomaar, willekeurig. (1982, p.86-87)

Maar nee, nóg niet goed. Die letters zijn wel in dienst van de onzichtbaarheid, leegte en het nihilisme, maar er is toch sprake van visuele verbeelding. Er is nog niet afgerekend met de fundamentele, primaire, aangeboren, intrinsieke, ingebouwde, allesomvattende en ondeelbare onzuiverheid van de hele onderneming: het kunstenaarsego zelf.

Het slotakkoord van de hele moderne onderneming vindt plaats in april 1970, aldus Wolfe. (1982, p.87)

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk. Inhoudsopgave Feuilleton Abramović, met links per aflevering.

Aflevering 377 Weet je wat? Wég met dat alles!

Eva Hesse, Untitled, 1966, gray wash and graphite on cream wove paper, 35 x 27.4 cm, © Harvard Art Museums Fogg Museum, Margaret Fisher Fund, © The Estate of Eva Hesse. Gevonden op: https://awarewomenartists.com/en/artiste/eva-hesse/.

Daar waar Clement Greenberg de dooddoener ‘alle wezenlijk oorspronkelijke kunst is op het eerste gezicht lelijk’ ten beste gaf (zie aflevering 374), geeft Leo Steinberg zijn versie: als je er beroerd van wordt, is het waarschijnlijk grote kunst (Tom Wolfe, Het geschilderde woord, 1982, p.72).

Sjonge.

Robert Scull neemt dat ter harte als hij de tekeningen van Walter De Maria ontdekt en deze zo weerzinwekkend vindt dat hij meteen de kunstenaar opbelt en zijn mecenas wordt. Het gaat hier om tekeningen waar zo goed als niets op staat, alleen in een hoekje staan een paar vrijwel onzichtbare woorden, zoals water, water, water … (1982, p.72).

Het is de ontdekking van Minimal Art, een kunstvorm die volgens Wolfe onderdeel is van een comeback van abstracte kunst in de tijd dat Popart in volle gang is. Het proces van versimpeling zet door. Elke keer gaat er weer iets af. Geen ‘emotionele’ kleuren meer, maar machinerood, spoorweggroen en restaurantventilatorkokergrijs. Geen wollige, troebele, wazige contouren, maar harde meetkundige lijnfiguren. Weet je wat? Ook geen lijst meer. Weet je wat? Ook geen doek meer. Weet je wat? Niks meer aan de muur hangen … (1982, p.75-81).

Er kwamen installaties in galeries en musea. Maar, weet je wat? Weg met musea, naar buiten! Land Art! ‘Nu iedereen in de theoretische mallemolen gevangen zat en woester werd rondgeslingerd dan ooit’, schrijft Wolfe, ontstaat de stap naar conceptuele kunst, de kunst van het idee. ‘Niet de duurzaamheid, de materialen, die […] verf en al die andere onzin, vormen het wezen van de kunst, maar uitsluitend […] talent en het scheppingsproces, aldus Wolfe. (1982, p.83)

De conceptualistische kunst valt uiteen in twee soorten…

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk. Inhoudsopgave Feuilleton Abramović, met links per aflevering.

Aflevering 376 Maf, lullig, ironisch, dubbelzinnig, banaal, leeg, dwaas, vulgair …

Popartkunstenaar Kiki Kogelnik, Untitled (Woman’s Lib), ca. 1971. Gevonden op: https://www.artsy.net/article/artsy-editorial-11-female-artists-who-left-their-mark-on-pop-art.

Nee joh, Popart is echt geen realisme (zie aflevering 375).

Eh, nee? Echt niet?

Nee! Want, zo vertelt Lawrence Alloway (1926-1990), de man die de term Popart heeft verzonnen, de plaatjes die de kunstenaars gebruiken – zoals vlaggen, cijfers, letters, schietschijven, plaatjes uit stripboekjes met tekst – zijn géén voorstellingen van de buitenwereld (externe realiteit, zoals de klassieke driedimensionale realisten schilderden, zie ook aflevering 372) (Tom Wolfe, Het geschilderde woord, 1982, p.67).

De plaatjes die de kunstenaars gebruiken, aldus Alloway, zijn tekensystemen van de Amerikaanse cultuur, dingen met een boodschap. Door deze tekens te vergroten en op canvas te schilderen verliezen ze hun boodschap en zijn ze ook geen afbeelding van de externe realiteit. Kortom: Popart is noch abstract, noch realistisch. Het heeft wel verbindingen in beide richtingen, maar is in wezen een kunst over tekens en tekensystemen. (1982, p.67)

Eh, juist.

Dit lijkt mij een soort prietpraat om Popart er als ‘okay-kunst’ doorheen te duwen bij ‘Cultuurburg’, zoals Wolfe dat noemt, ofwel de chic (zie aflevering 372). Natuurlijk, Popart is onvergelijkbaar met een schilderij van een oude meester die de illusie heeft van een venster waardoor je in de verte kunt kijken, zoals een berglandschap met op de voorgrond een wandelaar, een hond en een paard, om maar iets te noemen. En natuurlijk, als je een vlag naschildert of cijfers, of letters, of een schietschijf, dan gebruik je een tekensysteem, maar het is wel degelijk een realistische afbeelding. Je kunt er immers naar wijzen en zeggen: hé, kijk, een schietschijf. Het is een ding uit de wereld om ons heen.

Hoe dan ook, Popart en de Popartkunstenaars gingen lekker! ‘Iedereen’ was blij om van het donkere, duistere, ernstige, heilige Abstract Expressionisme af te zijn. ‘Met Popart kon je lol hebben’, schrijft Wolfe  (1982, p.67). Lekker kijken naar ‘het maffe, lullige prentje van die twee blonde sexy leeghoofden, die daar meer dan levensgroot, een meter tachtig bij twee meter veertig, om precies te zijn, hun beeldromanliefde bedreven aan de muur van een kunstgalerie’, aldus Wolfe en bedoelt daarbij deze afbeelding. (1982, p.70)

‘Maf … lullig … Popart zat boordevol literaire associaties […] Het was van A tot Z een ironische, dubbelzinnige, literair-intellectuele bevestiging van de banaliteit, de leegte, de dwaasheid, de vulgariteit enzovoort, enzovoort van de Amerikaanse cultuur’, schrijft Wolfe (1982, p.71)

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk. Inhoudsopgave Feuilleton Abramović, met links per aflevering.

Aflevering 375 Het kan nóg platter!

Marjorie Strider, Girl with Radish, 1963. Gevonden op: https://www.wikiart.org/en/marjorie-strider/girl-with-radish-1963.

Het abstract expressionisme is enorm gehypet in de media, dus je zou denken: dat verkoopt lekker! Helaas, de voorwaarde van kennis van het Woord blijkt toch een fikse barrière (zie aflevering 374).

Zo is Pollock ongelooflijk bekend, maar zijn werk verkoopt nauwelijks. De onbegrijpelijke schilderijen die je alleen kunt zien als je het Woord kent zijn een brug te ver. ‘Om de een of andere reden had je na die theoretische wenteltrap van vijf verdiepingen geen puf meer’, aldus Wolfe in zijn boek Het geschilderde woord(1982, p.52-57)

Sommige ‘dappere vaderlandslievende collectioneurs’ zorgen achterin de jaren 1950 voor een kleine opleving van de abstract-expressionistische markt, maar het mag niet baten. Alleen binnenhuisarchitecten zijn een poosje dol op de abstract-expressionistische doeken, omdat ze de grote, platte oppervlakken met felle kleuren prima kunnen gebruiken in de spierwitte interieurs die in de mode zijn. (1982, p.56-57)

Tot ieders opluchting verscheen daar Popart. Wat heeft Popart dan toch met de theorie van Platheid te maken?

Alles!

Jazeker. De Popartkunstenaars kiezen voorwerpen die van zichzelf al plat zijn, plat naar hun aard, zoals vlaggen, cijfers, letters, schietschijven, plaatjes uit stripboekjes met tekst. Op die manier voldoen ze aan de theorie van Platheid (géén literaire inhoud, zie ook afleveringen 372-374), maar vertonen hun schilderijen lekker toch heldere, realistische onderwerpen. (1982, p.61-62)

Met Popart begint een nieuw Theoretisch Tijdperk, ingeleid door Leo Steinberg (1920-2011), van wie de uitspraak ‘… alle grote kunst gaat over kunst’ komt, aldus Wolfe. (1982, p.65)

Waar hebben we dat eerder gehoord? In aflevering 44! Daar bespreek ik het werk van de filosoof Jerrold Levinson over kunstbewuste makers van kunst. Levinson heeft de uitspraak van Steinberg tot op het bot uitgewerkt.

Maar Steinberg neemt nergens stelling tegen Greenbergs kunsttheorie. Het is nog steeds Platheid troef, alleen heeft Steinberg iets gevonden dat nóg platter is.

Maar is Popart dan niet dat in Greenbergs theorie zo hartgrondig verfoeide realisme?

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk. Inhoudsopgave Feuilleton Abramović, met links per aflevering.

Aflevering 374 Van Platheid naar allerplatst (letterlijk)

Morris Louis, Third Element, 1961, 85 1/2 x 51 in. (217.2 x 129.5 cm), Acrylic resin (Magna) on canvas, DU458. Copyright © 2014 MICA. Rights administered by Artists Rights Society (ARS). Gevonden op: http://morrislouis.org/paintings/large/du458#.

Platheid, denkt de kunstenaar Morris Louis (1912-1962) als hij uit New York is teruggekeerd naar Washington (zie aflevering 373), platheid, mmm … en hij ziet ‘de toekomst glashelder voor zich’, aldus Tom Wolfe in zijn boek Het geschilderde woord (1982, p.48).

Waar Wolfe heen wil is een beeldende beschrijving van hoe dat werkt, die neiging tot plat, platter, platst schilderen, en dat doet hij via Louis’ volgende ‘gedachtegang’:

‘Dat werken met dikke olieverf was op zichzelf al een misdaad tegen de platheid geweest, een schending van de integriteit van het beeldvlak, al die jaren […] Zelfs onder de handen van Picasso rees gewone verf toch altijd wel een millimeter of twee boven doekniveau op! En wat de nieuwe Picasso – dat wil zeggen Pollock – betrof: mijn God, daar mocht je wel een meetlint bijhalen.’ (1982, p.48)

Wat doet Louis vervolgens? Hij smeert op ongeprepareerd linnen sterk verdunde verf, zo dun dat de verf door het doek wordt opgezogen. Er is geen enkele verhoging meer te zien, alleen een aantal rijen ‘waterige strepen’, schrijft Wolfe. Louis staat hiermee aan de basis van de Washington School. (1982, p.50)

De theorieën over platheid, abstractie, zuivere vorm, zuivere kleur, action, gaan een eigen leven leiden en lijken fundamentele regels te worden. Het Woord is nodig voor enig begrip van kunst. De abstractie wordt zo ver doorgevoerd dat niemand het nog snapt zonder theorie. Pas als je het Woord kent, kun je het zien. (1982, p.50-51)

De geschriften en theorieën van Clement Greenberg en Harold Rosenberg (zie bijvoorbeeld aflevering 372 of 373) worden belangrijker dan de kunstwerken. Als iemand het al waagt het werk van Jackson Pollock lelijk te vinden, kan zij rekenen op Greenbergs: ‘alle wezenlijk oorspronkelijke kunst is op het eerste gezicht lelijk’. Greenberg krijgt het voor elkaar dat ‘lelijk’ een kwaliteitsoordeel wordt waarbij je de ogen wijd open moet sperren: het kan zomaar baanbrekende kunst zijn! (1982, p.51-52)

Maar het loopt tamelijk slecht af met de abstract expressionistische kunstwerken …

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk. Inhoudsopgave Feuilleton Abramović, met links per aflevering.

Aflevering 373 Het begin van het betere gooi- en smijtwerk

Willem de Kooning in zijn studio, East Hampton, 1964. Foto: Hans Namuth. Gevonden op: http://atelierlog.blogspot.com/2013/05/willem-de-kooning-4.html.

Tot 1950 is het voornamelijk Clement Greenberg die de hoofdrol speelt met zijn theorie van formele zuiverheid (zie aflevering 372).

Maar Harold Rosenberg overtroeft hem vervolgens met zijn uitvinding van de term Action Painting. Het is de tijd dat het canvas onderdeel wordt van een gebeurtenis, het inmiddels welbekende spectaculaire gooi- en smijtwerk van verf op het doek, en/of de kunstenaar die zich – besmeurd met verf – letterlijk op het doek stort en/of met de handen in woeste vegen uithaalt. (Tom Wolfe, Het geschilderde woord, 1982, p.44)

Volgens Wolfe heeft Rosenberg steeds zijn vriend de schilder Willem de Kooning voor ogen, terwijl Greenberg zijn vriend Jackson Pollock als favoriet heeft. Pollock is in één jaar tijd, 1943, met hulp van Peggy Guggenheim en haar netwerk beroemd gemaakt, aldus Wolfe. Greenberg huppelde er toen nog wat achteraan, maar haalde dat in door ‘Pollocks gegarandeerde succes [te gebruiken] om Platheid te verkopen als de theorie’. (1982, p.45-47)

Wolfe citeert in zijn boek Greenberg over platheid. Als je dat leest valt het overdreven taalgebruik van Wolfe enigszins in het niet. Ik neem het hier over. Greenberg:

‘Pollocks kracht schuilt in het nadrukkelijke oppervlak van zijn schilderijen, dat hij wil handhaven en verhevigen in al die dikke, roeterige platheid die bij de late kubisten zo sterk naar voren begon – maar alleen begon – te komen. […] Het is de spanning die inherent is aan die geconstrueerde, gerecreëerde platheid van het oppervlak die deze kunst haar kracht geeft. […] zijn aandacht voor de textuur en de tastbaarheid van het oppervlak […] die uitspatting van verf, die op het beeldvlak leeft […].’ (1982, p.47)

Lust u nog peultjes? Voor wie er niets van snapt: je bent niet de enige!

In 1953 gaat Morris Louis, een 41-jarige schilder uit Washington, eens een kijkje nemen in New York. Hij is wel benieuwd naar die nieuwe stroming en heeft lange gesprekken met Greenberg. Het opent hem de ogen …

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk. Inhoudsopgave Feuilleton Abramović, met links per aflevering.